Bedrijfscertificering
STEK Module A
Synthetische en Brandbare Koudemiddelen
Procedures en werkinstructies
Bedrijfsnaam:
Revisiedatum:
Opgesteld door:
Handboek versie 3.0
|
Versie |
Datum |
Omschrijving wijziging |
Opsteller |
Goedkeuring |
|---|---|---|---|---|
|
3.0 |
2026/09/01 |
Initiële versie van het STEK schema |
Climatools B.V. |
Climatools B.V. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Dit handboek wordt opgeslagen in en is toegankelijk voor iedereen binnen de organisatie. Wijzigingen worden gecommuniceerd via toolboxen of werkoverleggen.
STEK-modules. De onderneming is gecertificeerd voor de hieronder aangekruiste modules. Op het certificaat wordt de scope van de gecertificeerde activiteiten nauwkeurig omschreven.
Toepassingsgebied Installaties:
|
Stationaire koeling apparatuur |
|
|
Stationaire klimaatregelingsapparatuur |
|
|
Stationaire Warmtepompen |
|
|
Stationaire Organische rankinecycli |
|
|
Stationaire brandbeveiligingsapparatuur |
|
|
Koeleenheden van koelwagen en koelaanhangwagens |
|
|
Koeleenheden van lichte koelvoertuigen |
|
|
Gekoelde intermodale containers met inbegrip van reefers |
|
|
Gekoelde treinwagons |
|
Toegepaste koudemiddelen/
|
Deelgebied I (F-gassen + koolwaterstoffen) |
|
|
Deelgebied II (CO2) |
|
|
Deelgebied III (NH3). |
|
Contactpersoon richting STEK en de certificatie-instelling:
De directie, dan wel haar aangewezen vertegenwoordiger, treedt op als contactpersoon voor STEK en haar beoordelaars.
Meerdere vestigingen. Heeft de onderneming meerdere vestigingen met een eigen KvK-vestigingsnummer die een eigen juridische entiteit zijn, dan beschikt elke vestiging over een eigen certificaat. Het kwaliteitssysteem uit dit handboek wordt uniform toegepast op alle vestigingen.
Verhouding tot andere certificaten. Een geldig ISO 9001-certificaat met een dekkend toepassingsgebied geldt als bewijs dat is voldaan aan hoofdstuk A2. Een geldig ISO 14001-certificaat geldt als bewijs voor hoofdstuk A6 Duurzaamheid. Bij een geldige VCA certificaat voor bedrijven wordt conformiteit met hoofdstuk A7 Veilig werken verondersteld, mits de onderneming aantoont dat alle veiligheidseisen voor het werken met natuurlijke koudemiddelen in de KAM-procedures zijn opgenomen.
Melding aan de certificatie-instelling. Wijzigingen in de registratie bij de Kamer van Koophandel, zoals een naams- of statuswijziging, worden per omgaande gemeld aan de certificatie-instelling.
Wij voeren werkzaamheden uit namens opdrachtgevers (derden) aan installaties zoals bedoeld in BRL100 v3.0 §1.2. De scope van onze certificering omvat uitsluitend de deelgebieden die op het certificaat vermeld staan.
Wij kunnen als organisatie aantonen dat wij werkzaamheden namens derden (opdrachtgevers) uitvoeren door middel van een combinatie van order- en projectdocumentatie, waaronder:
Deze documenten worden geregistreerd en zijn op verzoek beschikbaar als bewijsvoering richting de CI.
Bewijs & registraties
De directie is aantoonbaar betrokken bij ontwikkeling, invoering en instandhouding van het BRL100-kwaliteitssysteem en beschikt over een beleidsverklaring (BRL100 v3.0 §2.2). Hierbij verklaart de directie van de onderneming dat zij aantoonbaar betrokken is bij de ontwikkeling, invoering en instandhouding van de systematische kwaliteitsborging conform BRL100 versie 3.0 en dat wij de volgende uitgangspunten als bindend beleid hanteren:
Continue Verbetering
Wij committeren ons aan continue verbetering van ons kwaliteitsmanagementsysteem door het uitvoeren van periodieke interne audits, het analyseren van bevindingen en het doorvoeren en verifiëren van corrigerende en preventieve maatregelen.
Voorkomen van lekkage en emissies
Wij nemen voorzorgsmaatregelen om lekkage van F-gassen te voorkomen en emissies van koudemiddelen zo veel mogelijk te minimaliseren door correcte werkmethoden, passende meetmiddelen en volledige registratie.
Veilig werken met F-gassen en natuurlijke koudemiddelen
Wij nemen voorzorgsmaatregelen om veilig te kunnen werken aan apparatuur/
Kennisname handleidingen & informatie aan eindgebruikers
Wij borgen dat personeel kennisneemt van installatiehandleidingen en dat personeel eindgebruikers actief wijst op gebruikershandleidingen en gebruiksvoorschriften en, waar relevant, aanvullende technische documentatie (zoals schema’s) verstrekt of beschikbaar stelt.
Naleving wet- en regelgeving
Wij streven aantoonbaar na dat wij voldoen aan alle toepasselijke wet- en regelgeving op het gebied van F-gassen en natuurlijke koudemiddelen en dat onze procedures/
Informeren opdrachtgever/
Wij informeren onze opdrachtgever/
Herhaaldelijke lekkage: oorzaakanalyse en advies
Indien uit een oorzaakanalyse blijkt dat een installatie herhaaldelijk blijft lekken, adviseren wij onze opdrachtgever/
Communicatie, verantwoordelijkheden en naleving
Dit beleid wordt aantoonbaar gecommuniceerd met en bekend gemaakt bij alle medewerkers (en ingehuurde krachten waar van toepassing).
De directie is verantwoordelijk dat iedere medewerker beschikt over de juiste informatie, middelen en instructies om conform BRL100 te werken.
De directie wijst een contactpersoon, de kwaliteitsverantwoordelijke, aan voor communicatie met de certificerende instelling.
Meldingen aan certificatie instelling
Wijzigingen in de registratie bij de Kamer van Koophandel, zoals een naams- of statuswijziging, of een wijziging in capaciteit worden per omgaande gemeld aan de certificatie-instelling.
Arboverplichting
Wij voeren aantoonbaar beleid ter bescherming van medewerkers conform de Arbeidsomstandighedenwet; dit geldt ook voor medewerkers van ingehuurde partijen voor zover zij onder onze aansturing werkzaamheden uitvoeren.
|
Ondertekening |
|||
|---|---|---|---|
|
Plaats |
|
Datum |
|
|
Namens de directie van |
|
||
|
Naam ondertekenaar |
|
||
|
Functie |
|
||
|
Handtekening |
|
||
De onderneming onderhoudt een schriftelijk vastgelegd kwaliteitsmanagementsysteem dat aantoonbaar voldoet aan de eisen van BRL 100 versie 3.0. Een eventueel ISO 9001-certificaat kan aanvullend bewijs leveren, maar vervangt de specifieke BRL 100-eisen niet.
Het kwaliteitsmanagementsysteem is schriftelijk vastgelegd in procedures, werkinstructies en standaardformulieren die de werkzaamheden en de voorwaarden daarvoor omvatten. Dit om te waarborgen en aan te tonen dat alle werkzaamheden bij voortduring voldoen aan de eisen van de BRL 100 versie 3.0.
De onderneming waarborgt dat de procedures, werkinstructies en standaardformulieren actueel zijn, voldoen aan de vigerende wet- en regelgeving en te allen tijde beschikbaar zijn voor de medewerkers die deze nodig hebben. Voor de verschillende deelgebieden zijn in de hoofdstukken A3 en 4 de procedures en werkinstructies genoemd. Daarnaast zijn de volgende procedures vereist.
ALGEMEEN
De onderneming borgt dat werkzaamheden aan installaties met F-gassen en/of natuurlijke koudemiddelen veilig en milieubewust worden uitgevoerd. De basis hiervoor is de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) van de onderneming met bijbehorend plan van aanpak. Hierin zijn de risico's van het werken met F-gassen en natuurlijke koudemiddelen op ondernemingsniveau beoordeeld en zijn de bijbehorende beheersmaatregelen, procedures, middelen en PBM vastgesteld. De RI&E wordt jaarlijks herzien en daarnaast direct geactualiseerd bij gewijzigde werkzaamheden, toegepaste koudemiddelen, arbeidsmiddelen, incidenten of wet- en regelgeving.
De onderneming beoordeelt vooraf of werkzaamheden risico’s kunnen opleveren voor medewerkers, derden, omgeving en milieu en zorgt dat monteurs beschikken over de juiste procedures/
Onder veilig en milieubewust werken wordt in ieder geval verstaan: het voorkomen van lekkage en emissies, het beperken van risico’s voor personen en omgeving, het correct terugwinnen en opslaan van koudemiddelen, het juist toepassen van PBM en het naleven van stofspecifieke veiligheidsmaatregelen voor F-gassen, koolwaterstoffen, CO2 en NH3. Voor natuurlijke koudemiddelen wordt rekening gehouden met toepasselijke voorschriften zoals NPR-richtlijnen en PGS 13 waar van toepassing; IPLO beschrijft dat voor koelinstallaties met CO2, koolwaterstoffen of ammoniak regels gelden over veiligheid uit het Besluit activiteiten leefomgeving, waaronder NPR-normen en PGS 13.
UITVOERING
Stofspecifieke maatregelen: bij natuurlijke koudemiddelen worden aanvullende maatregelen getroffen die passen bij de eigenschappen van het koudemiddel:
Periodieke interne controle: de kwaliteitsverantwoordelijke controleert minimaal per kwartaal steekproefsgewijs of TRA’s en veiligheids-/milieumaatregelen daadwerkelijk zijn toegepast en aantoonbaar zijn vastgelegd. Bij hoog-risico werkzaamheden, incidenten, herhaalde afwijkingen of veel werkzaamheden met natuurlijke koudemiddelen wordt de controlefrequentie verhoogd naar maandelijks of per project, afhankelijk van risico en werkvolume. De uitkomsten worden vastgelegd in Climatools of het kwaliteitsdossier. Bevindingen die duiden op een onjuist of onvolledig ingeschat risico worden teruggekoppeld naar de RI&E en, waar nodig, opgenomen in het plan van aanpak.
Toetsing in directiebeoordeling: jaarlijks worden de resultaten van de periodieke controles geëvalueerd in de directiebeoordeling. Hierbij wordt gekeken naar trends, afwijkingen, incidenten, ontbrekende TRA’s, effectiviteit van beheersmaatregelen en noodzaak tot aanpassing van procedures, werkinstructies of toolboxen. In dezelfde directiebeoordeling wordt de actualiteit van de RI&E vastgesteld en de voortgang van het plan van aanpak beoordeeld; de conclusie hiervan geldt als de jaarlijkse herziening van de RI&E.
SCOPE
Meeromvattende Arbo-bedrijfsprocedures vallen buiten de scope van BRL100, maar de onderneming borgt wél de BRL-relevante basisvoorwaarden voor veilig werken (procedures, middelen, PBM, toepassing).
Leg vast wie welke rol heeft binnen BRL100 (taken, verantwoordelijkheden, bevoegdheden, vereiste certificering).
|
Rol |
Naam |
Bevoegdheden |
|---|---|---|
|
Directie |
|
|
|
Kwaliteitsverantwoordelijke |
|
|
|
Werkvoorbereider |
|
|
De onderneming heeft voldoende gecertificeerd personeel (BRL 200) in dienst (e.g. arbeidsovereenkomst afgesloten) om het verwachte activiteitenvolume te halen. De onderneming heeft ten minste een persoon in dienst met de BRL 200 of, in het geval van een zelfstandige zonder personeel, beschikt de eigenaar over de BRL 200.
De onderneming borgt dat werkzaamheden binnen de BRL100-scope uitsluitend worden uitgevoerd door personeel met het juiste en geldige persoonscertificaat (BRL200), passend bij het toegepaste deelgebied (F-gassen/
Let op! Het laten uitvoeren van werkzaamheden door (ingehuurd) personeel zonder de juiste persoonlijke certificeringen leidt tot een directe schorsing van het BRL 100 certificaat.
|
Certificaat |
Toepassing (samenvatting) |
Belangrijkste beperking / opmerking |
|---|---|---|
|
A1 |
Werkzaamheden met F-gassen + koolwaterstoffen (breed) |
Voor breed inzetbare monteur binnen Deelgebied I |
|
A2 |
Als A1, maar beperkt tot apparatuur met kleinere koelmiddelinhoud |
< 3 kg of < 6 kg bij hermetisch gelabeld |
|
B |
Werkzaamheden met CO2 (R744) |
Inzetbaar binnen Deelgebied II (CO2) |
|
C |
Werkzaamheden met NH3 (R717) |
Inzetbaar binnen Deelgebied III (NH3) |
|
D |
Terugwinning van F-gas bij systemen met beperkte vulling |
< 3 kg of < 6 kg hermetisch |
|
E |
Lekcontroles waarbij het koelcircuit met F-gas niet wordt geopend |
Alleen lekcontrole (geen openen circuit) |
|
Rol |
Naam |
Certificaat type |
Bevoegdheden |
Geldig tot: |
|---|---|---|---|---|
|
Monteur |
|
|
|
|
|
Monteur |
|
|
|
|
|
Monteur |
|
|
|
|
|
Monteur |
|
|
|
|
|
Monteur |
|
|
|
|
|
Monteur |
|
|
|
|
|
Monteur |
|
|
|
|
De kwaliteitsverantwoordelijke stelt vast welke certificeringsscope (A1/A2/B/C/D/E) van toepassing is op:
Bij indiensttreding (of start inhuur) worden minimaal vastgelegd:
ALGEMEEN
De onderneming heeft vastgelegd en geïmplementeerd op welke wijze de kwaliteitsdocumenten en andere gegevens die betrekking hebben op het kwaliteitssysteem overeenkomstig met deze BRL worden beheerd. De volgende zaken dienen te zijn geregeld:
UITVOERING
In onderstaand overzicht is opgenomen op welke wijze de kwaliteitsdocumenten en andere gegevens die betrekking hebben op het kwaliteitssysteem overeenkomstig de BRL 100 worden beheerd. Directie is verantwoordelijk om op de hoogte te blijven van de laatste wet- en regelgeving (zie bijlage: BRL 100 Beheer Wetten Regels en Normen). Wanneer zich wijzigingen voordoen, dan zal dit verwerkt worden in het kwaliteitsmanagementsysteem van de organisatie en zullen de documenten hierop worden aangepast. Deze aangepaste documenten zullen worden geïmplementeerd en verspreid naar de betrokken medewerkers.
|
DOCUMENT- EN GEGEVENSBEHEER |
|||
|---|---|---|---|
|
Kwaliteits- |
Methode |
Executie |
Bevoegd persoon |
|
Zie bijlage 1 |
Via iplo.nl Zie ook bijlage 1 |
Aftekenen directie en verspreiding onder monteurs |
De kwaliteits-verantwoordelijke |
|
Procedures en werkinstructies |
1 keer per jaar |
Aftekenen directie en verspreiding onder monteurs |
De kwaliteits-verantwoordelijke |
|
Werkbon |
Bij elke koeltechnische handeling |
Invullen en bijhouden in de Climatools software werkbonnenmodule. |
De kwaliteits-verantwoordelijke |
|
Flessenkaart |
Bij elke vulling |
Invullen en bijhouden in de Climatools software cilindermodule. |
De kwaliteits-verantwoordelijke |
|
Omgaan met tekortkomingen, klachten en afwijking |
Iedere afwijking of tekortkoming proactief bewaken. |
Invullen en bijhouden in de Climatools software incidentenmodule. |
De kwaliteits-verantwoordelijke |
|
Jaarbalans |
1 keer per jaar |
Invullen en bijhouden in de Climatools software rapportagemodule. |
De kwaliteits-verantwoordelijke |
|
Instrumentenlijst |
1 keer per jaar |
Invullen en bijhouden in de Climatools software gereedschap- en apparatuurmodule. |
De kwaliteits-verantwoordelijke |
|
Taak risico analyse |
Min. 1× per jaar én bij wijziging wet/norm/scope (B/C/D) |
Review door kwaliteitsverantwoordelijke, akkoord directie, versiebeheer, communicatie naar monteurs |
Kwaliteitsverantwoordelijke (review) + Directie (goedkeuring)” |
|
RI&E |
Min. 1 keer per jaar en bij wijziging wet/norm of incident |
Review door kwaliteitsverantwoordelijke |
De kwaliteits-verantwoordelijke |
Ten minste eenmaal per jaar wordt een werkoverleg gehouden met de medewerkers die werkzaamheden aan koelinstallaties verrichten of handelingen met koudemiddelen uitvoeren. De directie is verantwoordelijk voor het houden van dit overleg.
Op de agenda staan ten minste:
Van het werkoverleg wordt een verslag gemaakt waarin acties zijn opgenomen die leiden tot continue verbetering van het kwaliteitssysteem. Per actie worden de verantwoordelijke en de termijn vastgelegd. Het verslag wordt bewaard in het kwaliteitsdossier en de openstaande acties worden bij het volgende overleg besproken.
*Voor Eenmanszaken en zelfstandigen zonder personeel: In plaats van een werkoverleg wordt een actueel overzicht bijgehouden met de afwijkingen, verbeteringen en wijzigingen die zijn geregistreerd op basis van klachten, auditresultaten, eigen klanttevredenheidsonderzoek, wijzigingen in wet- en regelgeving, inspecties door bevoegd gezag en (bijna-)ongevallen. Het overzicht omvat een set geplande maatregelen die leiden tot verbetering van het eigen kwaliteitssysteem.
Ten minste eenmaal per jaar worden de medewerkers die werkzaamheden aan koelinstallaties verrichten beoordeeld op hun vakmanschap. Deze beoordeling vindt plaats in de vorm van een interne audit en is gebaseerd op de gemeten procesprestaties en de uitgevoerde projectevaluaties.
Per medewerker worden vastgelegd: de beoordeelde projecten, de bevindingen, de conclusie over het vakmanschap en eventuele afspraken over bijscholing of begeleiding. De uitkomsten zijn een vast agendaonderdeel van de directiebeoordeling en worden bewaard in het personeelsdossier.
DOEL
De directie voert jaarlijks een directiebeoordeling uit om de geschiktheid, passendheid en doeltreffendheid van het kwaliteitsmanagementsysteem te verifiëren. Hierbij wordt beoordeeld of procedures en (veiligheids)werkinstructies aantoonbaar worden toegepast, of wordt voldaan aan BRL100 en relevante wet- en regelgeving, en of emissies van koudemiddelen worden voorkomen en beheerst. Op basis hiervan worden eventuele verbetermaatregelen vastgesteld.
SCOPE
Jaarlijks vind er een interne audit plaats onder leiding, of in opdracht van de directie, deze audit omvat minimaal:
INPUT
De directie, of kwaliteitsverantwoordelijke gebruikt voor de directiebeoordeling minimaal als input:
UITVOERING
ALGEMEEN
De organisatie en medewerkers die naast de directie betrokken zijn bij het in stand houden en uitvoeren van de interne kwaliteitsbewaking zijn duidelijk vastgelegd en binnen de organisatie gecommuniceerd. Hun taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden met betrekking tot BRL100 zijn specifiek vermeld, zodat voor iedereen duidelijk is wie welke rol heeft binnen het kwaliteitsmanagementsysteem.
UITVOERING
In onderstaand overzicht zijn de personen weergegeven die betrokken zijn bij het uitvoeren en borgen van de interne kwaliteitsbewaking, inclusief hun taken en bevoegdheden.
|
Aanpak (Onderdeel) |
Methode (wat/waarop) |
Executie (hoe/bewijs) |
Periode |
Verantwoordelijke |
|---|---|---|---|---|
|
Kwalificatie medewerkers |
Controleren of medewerkers beschikken over juiste en geldige persoonscertificaten (A1/A2/B/C) en of bevoegdheden/ |
Bij indiensttreding: kopie certificaten opnemen + opnemen in certificatenmatrix. Jaarlijks: hercheck geldigheid + bijwerken matrix. |
Bij indiensttreding + jaarlijks |
Eigenaar/ |
|
Competentie & kennis (toolbox/ |
Toetsen of benodigde kennis aantoonbaar is bijgehouden (veilig werken, stofspecifieke aandachtspunten, updates procedures/ |
Opleidings-/toolboxplan bijhouden + presentielijsten/ |
Min. jaarlijks (en bij wijzigingen/ |
Eigenaar/ |
|
Interne audit / systeemaudit |
Toets op naleving handboek: procedures/ |
Uitvoeren audit met checklist + dossier/ |
Min. jaarlijks (of per kwartaal bij hoog volume/hoog risico) |
Uitvoerend: Kwaliteitsverantwoordelijke/ Review/ |
|
Projectevaluatie |
Steekproefsgewijs beoordelen of juiste processtappen zijn doorlopen en juiste instrumenten zijn gebruikt conform specificaties; registraties compleet. |
Dossierreview per project (werkbon, logboek, meetwaarden, foto’s/labels indien relevant, instrument-ID). Vastleggen evaluatie + verbeterpunten/ |
Min. Jaarlijks per monteur |
Eigenaar/ |
|
Controlesystematiek werkbonnen/ |
Controle op correcte uitvoering én correcte registratie: verplichte velden, meetwaarden, koudemiddelmutaties, logboekvermelding (per circuit waar verplicht), PDF/ |
Steekproefcontrole werkbonnen met checklist “compleet/ |
Doorlopend. Minimaal 1x per maand per monteur. |
Uitvoerend: Kwaliteitsverantwoordelijke • Input: Monteur (complete werkbon) |
|
Meetmiddelenbeheer (algemeen) |
Controleren of meetmiddelen unieke ID hebben, status OK/AFGEKEURD, en dat periodieke controles/ |
Instrumentenregister bijhouden (ID, datum aankoop, status) + kalibratie/ |
Doorlopend + volgens kalibratieschema |
Eigenaar/ |
|
Lekdetectietoestel (F-gassen) – test vóór gebruik |
Controleren of de lekdetector het testgas meet |
Test met monsterflesje/ |
Jaarlijks |
Uitvoerend: Monteur • Eigenaar/ |
|
Manometers & vacuümmeters |
Referentiemeting: goed functioneren aantonen (tolerantie volgens BRL) + registratie. |
Vergelijking met gekalibreerde referentiemeter (intern/ |
Min. elke 24 maanden |
Eigenaar/ |
|
Thermometers |
Controle volgens gekozen optie: |
Uitvoeren test + registreren: instrument-ID, datum, gemeten waarde(n), afwijking, uitvoerder, evt. referentie-ID. |
Jaarlijks |
Eigenaar/ |
|
Weegschalen (handelsdoeleinden indien van toepassing) |
Controle volgens gekozen optie: |
Optie 1: kalibratiecertificaat archiveren. Optie 2: ijkgewicht-type/ |
12 of 24 maanden (afhankelijk van optie) |
Eigenaar/ |
|
Tekortkomingen/ |
Borgen dat klachten/NC’s worden geregistreerd, geanalyseerd (oorzaak), maatregelen worden genomen en effectiviteit wordt beoordeeld. |
Incident-/klachtenregister bijhouden + RCA/CAPA invullen + opvolging en afsluiting. Trends meenemen in interne audit/ |
Continu + periodieke trendreview (min. jaarlijks) |
Eigenaar/ |
|
Inhuur/ |
Controleren certificaten (bedrijf/ |
Voor start opdracht: verificatie + kopie certificaten vastleggen + afspraken in opdracht/ |
Voor start + jaarlijks |
Eigenaar/ |
|
Veiligheidsdocumenten/ |
Controleren dat TRA wordt gemaakt bij risicovolle werkzaamheden en dat deze aansluit op de risico's/ |
Template/ |
Template: jaarlijks + bij triggers; Registraties: min. per kwartaal steekproef (maandelijks bij hoog volume/hoog risico) |
Template eigenaar/ |
ALGEMEEN
Voor het omgaan met tekortkomingen en afwijkingen, inclusief klachten, interne afwijkingen vanuit het interne kwaliteitsbewakingssysteem en onvoorziene omstandigheden, heeft de onderneming een vastgelegde procedure beschikbaar. Hierin zijn verantwoordelijken en communicatieroutes duidelijk verwoord. Het bepalen van de oorzaak van opgetreden afwijkingen en klachten maakt hiervan deel uit. In de procedure komt in ieder geval aan de orde:
UITVOERING (registratie via Climatools incidentenmodule)
COMMUNICATIE RICHTING CI (audit tekortkomingen)
|
3.1.1 PROCEDURE INSTALLATIE |
||
|---|---|---|
|
Hoofdstuk |
Te volgen Processtappen |
|
|
3.2.1 |
Ontwikkeling |
Nee |
|
3.2.2 |
Ontwerpen |
Ja |
|
3.2.3 |
Installeren |
Ja |
|
3.2.4 |
Lekdichtheid beproeving |
Ja |
|
3.2.5 |
Vacumeren |
Ja |
|
3.2.6 |
Vullen met een F-gassen |
Ja |
|
3.2.7 |
Inbedrijfstellen |
Ja |
|
3.2.8 |
Lekkage controle |
Ja |
|
3.2.9 |
Opleveren |
Ja |
|
3.2.10 |
Overdragen van het logboek aan de eigenaar |
Ja |
|
3.2.11 |
Onderhouden |
Nee |
|
3.2.12 |
Verwijderen f-gas en repareren |
Nee |
|
3.2.13 |
Buiten gebruik stellen |
Nee |
|
3.1.2 PROCEDURE ONDERHOUD EN SERVICE |
||
|---|---|---|
|
Hoofdstuk |
Te volgen Processtappen |
|
|
3.2.1 |
Ontwikkeling |
Nee |
|
3.2.2 |
Ontwerpen |
Nee |
|
3.2.3 |
Installeren |
Nee |
|
3.2.4 |
Lekdichtheidsbeproeving |
Ja |
|
3.2.5 |
Vacumeren |
Ja |
|
3.2.6 |
Vullen met een F-gassen |
Ja |
|
3.2.7 |
Inbedrijfstellen |
Ja |
|
3.2.8 |
Lekkage controle |
Ja |
|
3.2.9 |
Opleveren |
Ja |
|
3.2.10 |
Overdragen van het logboek aan de eigenaar |
Ja |
|
3.2.11 |
Onderhouden |
Ja |
|
3.2.12 |
Verwijderen f-gas en repareren |
Ja |
|
3.2.13 |
Buiten gebruik stellen |
Ja |
|
3.1.3 PROCEDURE REPARATIE |
||
|---|---|---|
|
Hoofdstuk |
Te volgen Processtappen |
|
|
3.2.1 |
Ontwikkeling |
Nee |
|
3.2.2 |
Ontwerpen |
Nee |
|
3.2.3 |
Installeren |
Nee |
|
3.2.4 |
Lekdichtheidsbeproeving |
Ja |
|
3.2.5 |
Vacumeren |
Ja |
|
3.2.6 |
Vullen met een F-gassen |
Ja |
|
3.2.7 |
Inbedrijfstellen |
Ja |
|
3.2.8 |
Lekkage controle |
Ja |
|
3.2.9 |
Opleveren |
Ja |
|
3.2.10 |
Overdragen van het logboek aan de eigenaar |
Ja |
|
3.2.11 |
Onderhouden |
Ja |
|
3.2.12 |
Verwijderen f-gas en repareren |
Ja |
|
3.2.13 |
Buiten gebruik stellen |
Ja |
|
3.1.4 PROCEDURE BUITENDIENSTSTELLING |
||
|---|---|---|
|
Hoofdstuk |
Te volgen Processtappen |
|
|
3.2.1 |
Ontwikkeling |
Nee |
|
3.2.2 |
Ontwerpen |
Nee |
|
3.2.3 |
Installeren |
Nee |
|
3.2.4 |
Lekdichtheidsbeproeving |
Ja |
|
3.2.5 |
Vacumeren |
Nee |
|
3.2.6 |
Vullen met een F-gassen |
Nee |
|
3.2.7 |
Inbedrijfstellen |
Nee |
|
3.2.8 |
Lekkage controle |
Ja |
|
3.2.9 |
Opleveren |
Ja |
|
3.2.10 |
Overdragen van het logboek aan de eigenaar |
Ja |
|
3.2.11 |
Onderhouden |
Nee |
|
3.2.12 |
Verwijderen f-gas en repareren |
Ja |
|
3.2.13 |
Buiten gebruik stellen |
Ja |
ALGEMEEN
|
Te gebruiken instrumenten en apparaten |
n.v.t. |
|
Controle op de juiste werking van |
n.v.t. |
|
F-gascertificaat voor personen |
n.v.t. |
|
Methodes ter voorkoming |
n.v.t. |
|
De wijze waarop het |
n.v.t. |
Uitvoering
|
INPUT |
→ |
PROCESSTAP |
→ |
OUTPUT |
|
Wettelijke eisen, wensen en eisen overheid, klant |
1: Ontwikkelen |
Programma van eisen |
Ontwikkeling van koeltechnische installaties en onderdelen worden intern niet uitgevoerd, gebruikte installaties en onderdelen worden ingekocht bij derden (leveranciers en fabrikanten).
ALGEMEEN
|
Te gebruiken instrumenten en apparaten |
n.v.t. |
|
Controle op de juiste werking van |
n.v.t. |
|
F-gascertificaat voor personen |
n.v.t. |
|
Methodes ter voorkoming |
n.v.t. |
|
De wijze waarop het |
n.v.t. |
Uitvoering
|
INPUT |
→ |
PROCESSTAP |
→ |
OUTPUT |
|
Programma van eisen |
2: Ontwerpen |
Installatieplan, offerte |
Een installatie zal zodanig worden ontworpen, zodat installatie volgens, en in overeenstemming met wet- en regelgeving gebouwd en volgens de voorschriften van de fabrikant zal worden en voldoet aan de eisen van de klant.
Indien gewenst zal de ontworpen installatie met een offerte worden aangeboden aan de klant.
ALGEMEEN
|
Te gebruiken instrumenten en apparaten |
Gereedschappen welke noodzakelijk |
|
Controle op de juiste werking van |
Controle volgens gebruikershandleiding voor start werkzaamheden |
|
F-gascertificaat voor personen |
Zie A2.2.2.3 Overzicht certificeringsscope |
|
Methodes ter voorkoming |
Gebruik van geschikte materialen; vaste verbindingen met hardsolderen en/of koppelingen bestemd voor beoogde installatie |
|
De wijze waarop het |
Installaties met > 5ton Co2 equivalent en/of 1kg HFO zijn logboekplichtig. Gegevens van de installatie en resultaten van uitgevoerde werkzaamheden worden toegevoegd (werkbon) en vermeld in het logboek |
Uitvoering
|
INPUT |
→ |
PROCESSTAP |
→ |
OUTPUT |
|
Installatieplan, offerte |
3: Installeren |
Geïnstalleerde apparatuur, logboek |
Wanneer de klant akkoord heeft gegeven zal de aangeboden installatie worden ingepland en zal de installatie op een nader afgesproken datum door een f-gassen gecertificeerde monteur worden geïnstalleerd.
ALGEMEEN
|
Te gebruiken instrumenten en apparaten |
Manometer, stikstoffles met reduceerventiel: bij lekdichtheidsbeproeving. |
|
Controle op de juiste werking van |
Controle volgens gebruikershandleiding voor start werkzaamheden. Controle op periodieke keuring gebruikte meetmiddelen. (Geldige beoordelingsrapportage en/of sticker op apparatuur) |
|
F-gascertificaat voor personen |
Zie A2.2.2.3 Overzicht certificeringsscope |
|
Methodes ter voorkoming |
Lekdichtheidsbeproeving op lage druk (PS), met gecontroleerde manometer. |
|
De wijze waarop het |
Installatie met > 5ton Co2 equivalent heeft logboekverplichting. Gegevens van de installatie en resultaten van uitgevoerde werkzaamheden worden toegevoegd (werkbon) en vermeld in het logboek. |
Uitvoering
|
INPUT |
→ |
PROCESSTAP |
→ |
OUTPUT |
|
Geïnstalleerde apparatuur, logboek |
4: Lekdichtsheids-beproeving |
Lekdichte apparatuur Ja/Nee |
Na installatie van de componenten wordt een lekdichtheidsbeproeving uitgevoerd met droge stikstof. De beproevingsdruk wordt per installatiedeel vooraf vastgesteld op basis van de ontwerpdocumentatie, het fabrikantvoorschrift, de toepasselijke norm en de maximaal toelaatbare druk (PS) van de betrokken componenten. Eerst wordt met een lage voorvuldruk gecontroleerd op directe lekkage; daarna wordt de druk beheerst opgevoerd tot de vastgestelde druk en worden drukstabiliteit en verbindingen gecontroleerd.
Vervolgens zal de installatie verder op druk worden gezet (samenstel min 1,1x PS) om de sterkte test uit te voeren.
Wanneer de installatie lekdicht is bevonden en er geen vervormingen optreden, kan worden gevacumeerd. Bij een geconstateerde lekkage wordt de oorzaak eerst hersteld en wordt de lekdichtheidsbeproeving volledig opnieuw uitgevoerd.
ALGEMEEN
|
Te gebruiken instrumenten en apparaten |
Vacuümpomp en vacuümmeter |
|
Controle op de juiste werking van |
Controle volgens gebruikershandleiding voor start werkzaamheden. Controle op periodieke keuring vacuümmeter (Geldige beoordelings- rapportage en/of sticker op apparatuur) |
|
F-gascertificaat voor personen |
Zie A2.2.2.3 Overzicht certificeringsscope (A1/A2/B/ |
|
Methodes ter voorkoming |
Vacumeren tot een absolute druk van minder dan 270 Pa (circa 2,7 mbar / 2.025 micron). |
|
De wijze waarop het |
Installatie met > 5 ton Co2 equivalent heeft logboekverplichting Gegevens van de installatie en resultaten van uitgevoerde werkzaamheden worden toegevoegd in de Climatools werkbon en vermeld in het Climatools logboek. |
Uitvoering
|
INPUT |
→ |
PROCESSTAP |
→ |
OUTPUT |
|
Lekdichte apparatuur |
5: Vacumeren |
Vacuümmeter rapport(Climatools werkbon) |
Wanneer de installatie lekdicht is bevonden kan er gevacumeerd worden, behaalde
vacuumdruk dient op de Climatools werkbon genoteerd te worden.
|
Koudemiddelinhoud Koelinstallatie |
Standtijd vacumeren |
Na laatste vacumeer procedure direct |
|---|---|---|
|
0 – 3 kg. |
30 |
n.v.t. |
|
3 – 30 kg. |
60 |
n.v.t. |
|
30 – 300 kg. |
120 |
1 |
|
> 300 kg. |
120 |
2 |
ALGEMEEN
|
Te gebruiken instrumenten en apparaten |
Weegschaal |
|
Controle op de juiste werking van |
Controle volgens gebruikershandleiding voor start werkzaamheden. Controle op periodieke keuring weegschaal. (Geldige beoordelings-rapportage en/of sticker op apparatuur) |
|
F-gascertificaat voor personen |
Zie A2.2.2.3 Overzicht certificeringsscope |
|
Methodes ter voorkoming |
- |
|
De wijze waarop het |
Installatie met > 5ton Co2 equivalent heeft logboekverplichting. Gegevens van de installatie en resultaten van uitgevoerde werkzaamheden worden toegevoegd (werkbon) en vermeld in het logboek. |
Uitvoering
|
INPUT |
→ |
PROCESSTAP |
→ |
OUTPUT |
|
Vacuümmeter rapport(Climatools werkbon) |
6: Vullen met F-gas |
Gevulde apparatuur |
Wanneer de installatie is gevacumeerd kan de installatie gevuld worden met een berekende hoeveelheid koudemiddel.
Zijn de buitendelen voorgevuld is (bij)vulling veelal niet nodig, berekening leidinglengte eventueel noodzakelijk om hoeveelheid (bij)vulling te bepalen. Leg de hoeveelheid bijvulling vast op de werkbon.
ALGEMEEN
|
Te gebruiken instrumenten en apparaten |
Manometer, temperatuurmeter |
|
Controle op de juiste werking van |
Controle volgens gebruikershandleiding voor start werkzaamheden. Controle op periodieke keuring manometer en temperatuurmeter. (Geldige beoordelingsrapportage en/of sticker op apparatuur) |
|
F-gascertificaat voor personen |
Zie A2.2.2.3 Overzicht certificeringsscope |
|
Methodes ter voorkoming |
Aandacht is juist aansluiten van de manometer (ook slangen controleren) aan de installatie. Installaties is n.l. gevuld met koudemiddel. |
|
De wijze waarop het |
Installatie met > 5ton Co2 equivalent heeft logboekverplichting. Gegevens van de installatie en resultaten van uitgevoerde werkzaamheden worden toegevoegd (werkbon) en vermeld in het logboek. |
Uitvoering
|
INPUT |
→ |
PROCESSTAP |
→ |
OUTPUT |
|
Gevulde apparatuur |
7: In bedrijf stellen |
Functionerende apparatuur |
Wanneer de installatie is gevuld met koudemiddel en als noodzakelijke afsluiters open staan zal de installatie gecontroleerd worden op werking (juiste werkdrukken en temperaturen), dit om vast te stellen of de installatie functioneert zoals bedoeld.
Vanwege garantiebepalingen wordt inbedrijfstelling ook indien van toepassing uitgevoerd door de leverancier van de componenten. (BU en BI unit)
ALGEMEEN
|
Te gebruiken instrumenten en apparaten |
Lekdetectieapparaat |
|
Controle op de juiste werking van |
Controle volgens gebruikershandleiding voor |
|
F-gascertificaat voor personen |
Zie A2.2.2.3 Overzicht certificeringsscope |
|
Methodes ter voorkoming |
Controle met het lekdetectieapparaat van de gehele installatie met nadrukkelijke aandacht bij de verbindingen van de componenten. |
|
De wijze waarop het |
Installatie met > 5ton CO2-equivalent heeft logboekverplichting. Gegevens van de installatie en resultaten van uitgevoerde werkzaamheden worden toegevoegd (werkbon) en vermeld in het logboek. |
Uitvoering
|
INPUT |
→ |
PROCESSTAP |
→ |
OUTPUT |
|
Functionerende apparatuur |
8: Lekkagecontrole |
Lekkagerapport, aantekening logboek |
Wanneer de installatie naar behoren functioneert, zal bij een in bedrijf zijnde installatie een lekkage controle worden uitgevoerd. Het resultaat van de lekkage controle zal genoteerd worden op de werkbon en indien noodzakelijk worden toegevoegd in het logboek.
ALGEMEEN
|
Te gebruiken instrumenten en apparaten |
n.v.t. |
|
Controle op de juiste werking van |
n.v.t. |
|
F-gascertificaat voor personen |
n.v.t. |
|
Methodes ter voorkoming |
Bij oplevering uitleg aan gebruiker/ |
|
De wijze waarop het |
Installatie: > 5ton Co2 equivalent heeft logboekverplichting Gegevens van de installatie en resultaten van uitgevoerde werkzaamheden worden toegevoegd (werkbon) en vermeld in het logboek |
Uitvoering
|
INPUT |
→ |
PROCESSTAP |
→ |
OUTPUT |
|
Lekkagerapport, logboek van functionerende apparatuur |
9: Opleveren |
Opleveringsrapport, aantekening in het logboek & onderhoudscontract |
Als de installatie correct functioneert, wordt deze opgeleverd aan de gebruiker/
Ook wordt de klant geïnformeerd over het juiste gebruik van de installatie en geattendeerd over zijn/haar verantwoording op de wettelijk verplichte lekkagecontrole. De frequentie kan bepaald worden door 3.2.9.1 bepalen verplichte lektestfrequentie of Climatools berekent deze automatisch en is inzichtelijk in het installatiedetail overzicht.
|
Koudemiddel / situatie |
Inhoud |
Frequentie* |
|---|---|---|
|
F-gassen (Bijlage I) - niet hermetisch gesloten |
< 5 ton CO2-equivalent |
Geen verplichte lekkagecontrole |
|
>= 5 tot < 50 ton CO2-equivalent |
Minimaal 1x per 12 maanden |
|
|
>= 50 tot < 500 ton CO2-equivalent |
Minimaal 1x per 6 maanden |
|
|
>= 500 ton CO2-equivalent |
Minimaal 1x per 3 maanden |
|
|
F-gassen (Bijlage I) - hermetisch gesloten en als zodanig geëtiketteerd |
< 10 ton CO2-equivalent |
Geen verplichte lekkagecontrole |
|
>= 10 tot < 50 ton CO2-equivalent |
Minimaal 1x per 12 maanden |
|
|
>= 50 tot < 500 ton CO2-equivalent |
Minimaal 1x per 6 maanden |
|
|
>= 500 ton CO2-equivalent |
Minimaal 1x per 3 maanden |
|
|
HFO's (Bijlage II, sectie 1) - niet hermetisch gesloten |
< 1 kg |
Geen verplichte lekkagecontrole |
|
>= 1 tot < 10 kg |
Minimaal 1x per 12 maanden |
|
|
>= 10 tot < 100 kg |
Minimaal 1x per 6 maanden |
|
|
>= 100 kg |
Minimaal 1x per 3 maanden |
|
|
HFO's (Bijlage II, sectie 1) - hermetisch gesloten en als zodanig geëtiketteerd |
< 2 kg |
Geen verplichte lekkagecontrole |
|
>= 2 tot < 10 kg |
Minimaal 1x per 12 maanden |
|
|
>= 10 tot < 100 kg |
Minimaal 1x per 6 maanden |
|
|
>= 100 kg |
Minimaal 1x per 3 maanden |
* Voor hermetisch gesloten apparatuur in residentiële gebouwen geldt, mits als zodanig geëtiketteerd, een vrijstelling beneden 3 kg F-gas. Buiten de vrijstellingen voor hermetisch gesloten apparatuur gelden de frequenties uit de tabel. Bij een naar behoren functionerend automatisch lekdetectiesysteem wordt het controle-interval verdubbeld (12 naar 24, 6 naar 12 en 3 naar 6 maanden). Voor de relevante stationaire apparatuur vanaf 500 ton CO2-equivalent (Bijlage I) of 100 kg (Bijlage II, sectie 1) is zo'n systeem verplicht.
Climatools bepaalt automatisch de verplichte lekkagecontrole op basis van het koudemiddel, de vastgelegde koudemiddelinhoud in kg en, indien van toepassing, het HFO-percentage. De gebruiker vindt deze informatie terug in de installatiedetails en hoeft de controlefrequentie niet handmatig te berekenen. Hiermee wordt geborgd dat de juiste controleverplichting consequent en aantoonbaar wordt toegepast.
ALGEMEEN
|
Te gebruiken instrumenten en apparaten |
n.v.t. |
|
Controle op de juiste werking van |
n.v.t. |
|
F-gascertificaat voor personen |
n.v.t. |
|
Methodes ter voorkoming |
Uitleg aan klant over juist gebruik van de installatie en attenderen op eventuele (verplichte) lekkage controle. |
|
De wijze waarop het |
Attenderen dat logboek vanaf 5 ton Co2 equivalent verplicht bij de installatie aanwezig moet zijn en dat alle werkzaamheden aan de installatie vermeld worden in het logboek. |
Uitvoering
|
INPUT |
→ |
PROCESSTAP |
→ |
OUTPUT |
|
Opleveringsrapport, logboek |
10: Overdragen logboek aan eigenaar |
Overgedragen logboek |
Wanneer de installatie in bedrijf is dient de installatie vanaf 5 ton CO2-equivalent of meer te worden voorzien van een logboek. Het logboek inclusief de werkbon wordt opgemaakt en aan de eigenaar over- gedragen bij oplevering.
ALGEMEEN
|
Te gebruiken instrumenten en apparaten |
Manometer, temperatuurmeter. |
|
Controle op de juiste werking van |
Controle volgens gebruikershandleiding voor start werkzaamheden. Controle op periodieke keuring manometer en temperatuurmeter. (Geldige beoordelingsrapportage en/of sticker op Apparatuur) |
|
F-gascertificaat voor personen |
Zie A2.2.2.3 Overzicht certificeringsscope |
|
Methodes ter voorkoming |
Aandacht is juist aansluiten van de manometer (ook slangen controleren) aan de installatie |
|
De wijze waarop het |
Een installatie met > 5 ton CO2-equivalent dient te zijn voorzien van logboek. Gegevens van de installatie en resultaten van uitgevoerd werkzaamheden worden toegevoegd (werkbon) en vermeld in het logboek |
Uitvoering
|
INPUT |
→ |
PROCESSTAP |
→ |
OUTPUT |
|
Onderhoudscontract, logboek |
11: Onderhouden |
Onderhoudsrapport, aantekening logboek |
Onderhoud vindt plaats na opdracht van de klant, dit kan ook zijn vanwege een aanwezig onderhoudscontract. Werkzaamheden en resultaten van het uitgevoerde onderhoud wordt vermeld op de werkbon en indien van toepassing een aantekening van gemaakt in het bijhorende logboek.
De werkbon wordt ook toegevoegd aan het logboek. Als de installatie niet logboekplichtig is (< 5 ton CO2-equivalent) zal de werkbon (of kopie) aan de eigenaar/
ALGEMEEN
|
Te gebruiken instrumenten en apparaten |
Manometer, temperatuurmeter, afpomp-unit, nodige instrumenten om de reparatie uit te voeren. |
|
Controle op de juiste werking van |
Controle volgens gebruikershandleiding voor start werkzaamheden. Controle op periodieke keuring manometer en temperatuurmeter. (Geldige beoordelingsrapportage en/of sticker op apparatuur) |
|
F-gascertificaat voor personen |
Zie A2.2.2.3 Overzicht certificeringsscope |
|
Methodes ter voorkoming |
Aandacht is juist aansluiten van de manometer en eventueel de afpomp-unit (ook slangen controleren) aan de installatie. |
|
De wijze waarop het |
Een installatie met > 5 ton Co2 equivalent dient te zijn voorzien van logboek. Gegevens van de installatie en resultaten van uitgevoerd werkzaam- heden worden toegevoegd (werkbon) en vermeld in het logboek. |
Uitvoering
|
INPUT |
→ |
PROCESSTAP |
→ |
OUTPUT |
|
Lekkagerapport, melding defect, logboek |
12: Verwijderen f-gas en repareren |
Reparatierapport, probleemanalyse, aantekening logboek volgens NEN 378 deel 4 |
Voordat er een reparatie uitgevoerd kan worden al dan niet vanwege een lekkage zal het eventueel nog aanwezige koudemiddel worden ingeblokt in het buitendeel of vloeistofvat, wanneer dit niet mogelijk is zal het koudemiddel met de afpomp-unit uit de installatie worden gepomp en worden opgeslagen in een koudemiddelcilinder voor hergebruik of zal worden afgevoerd.
Reparatie kan worden uitgevoerd wanneer deze vrij is van koudemiddel (evt. extra middels vacumeren/of reinigen met stikstof). Na reparatie zal er eerst de nodige beproevingen worden uitgevoerd (lek- dichtheidscontrole, sterktetest en vacumeren) alvorens de installatie gevuld wordt met koudemiddel.
Gegevens van de installatie en resultaten van uitgevoerd reparatie worden toegevoegd (werkbon) en vermeld in het logboek.
ALGEMEEN
|
Te gebruiken instrumenten en apparaten |
Afpompunit. |
|
Controle op de juiste werking van |
Controle volgens gebruikershandleiding voor start werkzaamheden. |
|
F-gascertificaat voor personen |
Zie A2.2.2.3 Overzicht certificeringsscope |
|
Methodes ter voorkoming |
Aandacht is juist aansluiten van de afpomp-unit (ook slangen controleren) aan de installatie. |
|
De wijze waarop het |
Een installatie met > 5 ton Co2 equivalent dient te zijn voorzien van logboek. Gegevens van de installatie en resultaten van uitgevoerd werkzaamheden worden toegevoegd (werkbon) en vermeld in het logboek. |
Uitvoering
|
INPUT |
→ |
PROCESSTAP |
→ |
OUTPUT |
|
Eis overheid, reparatie-of lekkagerapport, logboek |
13: Buiten gebruik stellen |
Buiten gebruik gestelde apparatuur, aantekening logboek |
Wanneer koudemiddel verwijderd dient te worden uit een installatie vanwege buiten gebruikstelling (bijv. demontage), zal het koudemiddel met de afpomp-unit uit de installatie worden gepomp en worden opgeslagen in een koudemiddelcilinder en worden afgevoerd.
Gegevens van de installatie en resultaten van uitgevoerd buiten gebruikstellen van de installatie worden toegevoegd (werkbon) en vermeld in het logboek. Ook wordt duidelijk aangeven (installatie, werkbon, logboek), dat de installatie niet in bedrijf is en het logboek een bewaarplicht heeft van 5 jaar.
Na afloop van het invullen van het logboek wordt deze door de monteur overhandigd aan de eigenaar van de installatie (klant) die hem erop wijst dat het logboek een bewaarplicht heeft van 5 jaar
De onderneming beschikt over de meetmiddelen en apparatuur die nodig zijn om de werkzaamheden veilig en aantoonbaar correct uit te voeren. Voor het werken met koolwaterstoffen, waaronder R-290 propaan, is A3 geschikt gereedschap verplicht, om explosiegevaar te voorkomen. Van alle meetmiddelen is het serienummer of een uniek identificatienummer herkenbaar aangebracht op het apparaat zelf en geregistreerd in Climatools (gereedschap- & apparatuurmodule). De meetmiddelen zijn geschikt voor het toegepaste koudemiddel en de beoogde toepassing.
|
Apparaat |
Specificaties |
|---|---|
|
Manometers/ manometersets |
De manometerset is geschikt voor LD- en HD-meting van de toegepaste koudemiddelen (zoals R410A en R32). Bij brandbare koudemiddelen is de geschiktheid voor het specifieke koudemiddel aantoonbaar volgens de fabrikant. Bij gebruik in een explosiegevaarlijke situatie geldt aanvullend de keuzeprocedure uit 5.1.1. |
|
Thermometer |
Thermometer is geschikt zijn voor de beoogde toepassing (type, temperatuurbereik en nauwkeurigheid). |
|
Multimeter |
2,5% van schaalmaximum |
|
Vacuümpomp |
Geschikt voor het bereiken van een absolute druk van minder dan 270 Pa (circa 2,7 mbar / 2.025 micron). |
|
Vacuümmeter |
Hierop kan een absolute druk kleiner dan 270 Pa worden afgelezen of waargenomen. (Zorg voor een vacuümmeter waarop deze druk duidelijk afleesbaar is, géén LED-meter) |
|
Lekdetectietoestel |
Het toestel kan lekkages van ten minste 5 ppm (of 5 g/j) detecteren. |
|
Directe lekdetectiemiddelen |
Zeepoplossing, ultraviolet oplichtende detectievloeistof met UV-lamp, een geschikte kleurstof in het circuit of andere geschikte middelen |
|
Weegapparatuur voor f-gassencilinders |
Nauwkeurigheid minimaal:
Weegschalen moeten voldoen aan de Metrologiewet. |
|
Afzuigpomp / afzuigunit |
Deze kan bij handelingen op het gebied van HFK’s of HCFK’s de vereiste druk van < 0,3 bar bereiken. |
|
Stikstofcilinder met reduceerventiel |
De reduceer moet aan de uittredekant voldoende druk kunnen doorlaten passend bij de vereiste drukproef voor het gebruikte middel. |
|
Retourcilinder |
Het is duidelijk herkenbaar voor welk type f-gas de cilinder geschikt is/ welk f-gas de cilinder bevat. F-gassencilinders met geregenereerd f-gas moeten zijn voorzien van een speciale aanduiding. (Retour)cilinders met gerecycled f-gas zijn voorzien van een speciale aanduiding. N.B. Niet-hervulbare cilinders mogen niet worden toegepast en cilinders moeten herkeurd zijn zoals beschreven in PGS15. |
|
Apparaat |
Specificaties |
|---|---|
|
Explosiemeter |
Aantoonbaar geschikt voor het toegepaste brandbare koudemiddel met alarmen op 10% en 20% LEL. |
|
Zuurstofmeter |
Met alarm om 18% |
|
Antistatische kleding en schoenen |
materiaal dat niet kan overgaan tot elektrostatische ontlading, blijkens de productverklaring van de leverancier |
DOEL
Borgen dat meetmiddelen aantoonbaar betrouwbaar zijn en dat resultaten herleidbaar zijn naar:
uniek instrument-ID → geldigheidsstatus → kalibratiebewijs → werkregistratie.
Werkwijze in Climatools (gereedschap- & apparatuurmodule)
De kwaliteitsverantwoordelijke registreert alle meetmiddelen in de Climatools module met minimaal:
Op basis van de frequentie toont Climatools de status:
Per meetmiddel worden kalibratiecertificaten, ijkgewicht-rapporten en reparatiebonnen als bestand geüpload bijgevoegd bij het betreffende meetmiddel.
De monteur koppelt het gebruikte meetmiddel (instrument-ID) aan de werkregistratie/
Bij defecten of afwijkingen wordt het meetmiddel direct als ongeschikt gemarkeerd en in Climatools eveneens zo geregistreerd en buiten gebruik gesteld, met vervolgactie (reparatie, herkalibratie of vervanging).
Onderstaande frequenties worden als “kalibratiefrequentie” ingesteld in Climatools per meetmiddeltype.
|
Instrument/ |
Frequentie |
Testmethode |
|---|---|---|
|
Manometer, 1% van schaalmaximum |
1x per 24 maanden laten kalibreren |
vergelijking met (gekalibreerde) referentiemeter door kalibratie-instelling |
|
Vacuümmeter, nauwkeurigheid +/-10% van waarde |
1x per 24 maanden laten kalibreren |
vergelijking met (gekalibreerde) referentiemeter door kalibratie-instelling |
|
Lekdetectietoestel, nauwkeurigheid 5 ppm |
1x per 12 maanden |
Test met monsterflesje/ |
|
Thermometer, nauwkeurigheid +/- 1°C |
1x per 12 maanden |
ijswater-test (0°C, acceptatie ±1°C) OF vergelijking met (gekalibreerde) referentiemeter door kalibratie-instelling |
|
Weegschaal, nauwkeurigheid 0,1 kg |
1x per 12 maanden met ijkgewicht testen OF 1x per 24 maanden laten kalibreren |
1x per 12 maanden met ijkgewicht testen OF kalibratie door kalibratie-instelling |
De onderneming kan aantonen dat meetmiddelen geschikt zijn en conform het handboek worden beheerst door onderstaande bewijsstukken. Bewijsvoering is per meetmiddel terug te vinden in de Climatools gereedschap- & apparatuurmodule, waarbij bewijsdocumenten als upload worden opgeslagen bij het betreffende meetmiddel (instrument-ID).
Audit-proof bewijs bestaat uit het instrumentenoverzicht met per meetmiddel:
Het bewijs van een uitgevoerde kalibratie of controle is het kalibratierapport zelf. Een aantekening in het instrumentenregister of een sticker op het apparaat geldt niet als bewijs; die verwijzen slechts naar het rapport. Zonder rapport is de controle niet aantoonbaar uitgevoerd en wordt het meetmiddel als niet-geldig beschouwd. Het rapport wordt als bestand opgeslagen bij het betreffende meetmiddel in de Climatools gereedschap en apparatuurmodule en bevat ten minste:
Indien de ijswatermethode wordt gebruikt, wordt als bewijs vastgelegd (in testformulier/
Indien gekozen is voor externe kalibratie, wordt als bewijs opgeslagen:
Indien gekozen is voor controle met ijkgewicht, wordt als bewijs vastgelegd (in controle-/ijkrapport als upload):
Indien gekozen is voor externe kalibratie, wordt als bewijs opgeslagen:
De onderneming kan aantonen dat de gebruikte meetmiddelen herleidbaar zijn naar uitgevoerde werkzaamheden doordat in Climatools de meetmiddelen (instrument-ID) door de monteur gekoppeld worden aan werkbon/
De instrumentoverzichten en uploads van kalibratierapporten/
DOEL
Borgen dat explosieveilig materieel en vonkarm handgereedschap aantoonbaar geschikt, beschikbaar, geïdentificeerd en in goede staat zijn voordat zij worden ingezet. De keuze voor het middel volgt altijd uit 5.1.1, de TRA, het explosieveiligheidsdocument (EVD) en de werkvergunning.
BEGRIPPEN EN BEWIJSWAARDE
MINIMALE REGISTRATIE IN CLIMATOOLS
CONTROLE EN BUITENGEBRUIKSTELLING
De onderneming beheerst de kwaliteit van ingekochte materialen en materieel en van ingehuurd materieel, en toont aan dat deze geschikt zijn voor toepassing in de koelinstallaties waaraan zij werkzaamheden verricht. Dit geldt in ieder geval voor:
De onderneming kan aantonen dat ingekochte materialen en materieel welke van invloed zijn op een lekvrije werking van de installatie van de juiste kwaliteit zijn en geschikt is voor toepassing in de installaties of apparatuur waaraan de werkzaamheden worden verricht.
Materialen worden hoofdzakelijk bij een koeltechnische groothandel ingekocht en bij levering gecontroleerd.
Van geleverde koudemiddelen worden het type, de hoeveelheid, het cilinder- of chargenummer en de leverancier vastgelegd in de Climatools cilindermodule.
Ontvangen materieel, materialen en gassen worden niet gebruikt of verwerkt voordat aantoonbaar is vastgesteld dat zij voldoen aan de gestelde eisen. Bij ontvangst wordt gecontroleerd:
De uitkomst van de ingangscontrole wordt vastgelegd. Afgekeurde leveringen worden apart gezet, gemarkeerd als niet vrijgegeven en teruggemeld aan de leverancier.
De kwaliteitsverantwoordelijke beoordeelt jaarlijks aan de hand van de resultaten of de ingangscontrole systematisch wordt uitgevoerd en effectief is. De uitkomst gaat mee naar de directiebeoordeling.
De onderneming borgt dat van iedere relevante handeling aan een installatie een volledige en juiste werkregistratie in Climatools wordt gemaakt. Deze werkregistraties worden in Climatools automatisch toegevoegd aan het digitale logboek van de betreffende installatie, samen met gekoppelde koudemiddel- en beheerregistraties. Het logboek is daarmee het centrale, digitale dossier van de installatie en is beschikbaar voor onderhoud, inspecties en audits. De onderneming verstrekt aantoonbaar een kopie van de werkregistraties en/of het logboek aan de eigenaar/
ALGEMEEN
De onderneming borgt dat bij de oplevering van een installatie de eigenaar/
UITVOERING
Bij oplevering van een correct functionerende installatie ontvangt de eigenaar/
ALGEMEEN
De onderneming borgt dat werkzaamheden die onder de BRL100-scope vallen uitsluitend worden uitgevoerd door eigen personeel, ingehuurde personen of onderaannemers die beschikken over de relevante en geldige certificaten voor de betreffende werkzaamheden. Indien werkzaamheden worden uitbesteed aan een andere onderneming of worden uitgevoerd door ingehuurde personen, verifieert de onderneming vooraf of zowel het bedrijfscertificaat als de relevante persoonscertificaten geldig en passend zijn voor de werkzaamheden. Van deze verificatie wordt aantoonbaar bewijs bewaard.
UITVOERING
Werkzaamheden die onder de BRL100 vallen worden in beginsel door de onderneming zelf uitgevoerd. Indien toch sprake is van inhuur of uitbesteding, wordt vóór start van de werkzaamheden gecontroleerd of het betreffende bedrijf en/of de betreffende persoon over de juiste certificaten beschikt. Deze controle vindt plaats door het opvragen van een kopie van het relevante certificaat en verificatie van de geldigheid via het Centraal Register Techniek (CRT) via:
https://www.centraalregistertechniek.nl/
en/of, waar nodig, via de certificerende instelling. De kwaliteitsverantwoordelijke legt deze verificatie aantoonbaar vast in het opdracht- of onderaannemersdossier. Bij structurele samenwerking of langdurige inzet wordt de geldigheid minimaal jaarlijks opnieuw gecontroleerd. Indien de certificering niet aantoonbaar geldig is, mogen de werkzaamheden niet worden uitgevoerd.
VERIFICATIE VAN BEDRIJVEN
Bij uitbesteding aan een andere onderneming verifieert de onderneming vóór aanvang van de werkzaamheden of de onderaannemer beschikt over een geldig certificaat voor ondernemingen voor het betreffende deelgebied. Een kopie van het certificaat en het bewijs van verificatie worden bewaard in het dossier.
VERIFICATIE VAN PERSONEN
Bij inzet van ingehuurde personen of medewerkers van een onderaannemer verifieert de onderneming vooraf of de betrokken persoon beschikt over het juiste en geldige persoonscertificaat voor de betreffende werkzaamheden. Dit gebeurt door het opvragen van een kopie van het certificaat en verificatie van de geldigheid/
AANVULLENDE AFSPRAKEN
De onderneming legt bij inhuur of uitbesteding tevens vast dat de ingehuurde persoon of onderaannemer werkt volgens de relevante procedures en werkinstructies van de onderneming en de vereiste registraties en werkbonnen invult of aanlevert. Afwijkingen, incidenten of tekortkomingen worden direct gemeld en verwerkt volgens de procedure omgaan met tekortkomingen.
ALGEMEEN
De onderneming borgt dat alle registraties die voortkomen uit het kwaliteitsmanagementsysteem, de uitvoering van werkzaamheden en de naleving van BRL100 volledig, herleidbaar en gedurende de vastgestelde bewaartermijn beschikbaar blijven. Registraties worden zodanig beheerd dat zij op verzoek direct kunnen worden geraadpleegd of geëxporteerd ten behoeve van onderhoud, inspecties, audits en – waar van toepassing – voor de eigenaar/
UITVOERING
Registraties worden waar mogelijk vastgelegd in Climatools en per onderwerp beheerd in de daarvoor bestemde module (zoals werkbonnen, incidenten, gereedschap & apparatuur, cilinders/
|
Document |
Waar vastgelegd / bewaard |
Verantwoordelijke |
Bewaartermijn |
|---|---|---|---|
|
Werkbon / werkregistratie |
Climatools werkbonnenmodule |
Monteur / kwaliteitsverantwoordelijke |
Min. 5 jaar |
|
Digitaal logboek installatie |
Climatools logboek / klantdossier |
Kwaliteitsverantwoordelijke |
Min. 5 jaar na afbraak installatie |
|
Koudemiddelregistratie / flessenkaart |
Climatools cilindermodule / koudemiddelregistratie |
Kwaliteitsverantwoordelijke |
Min. 5 jaar |
|
F-gassenbalans / jaarbalans |
Climatools rapportagemodule / rapportage-export |
Kwaliteitsverantwoordelijke |
Min. 5 jaar |
|
Incidenten / klachten / NC-dossiers |
Climatools incidentenmodule |
Kwaliteitsverantwoordelijke |
Min. 5 jaar |
|
Auditdossiers / directiebeoordeling |
Audittemplate + archief / kwaliteitsdossier |
Kwaliteitsverantwoordelijke / directie |
Min. 5 jaar |
|
Kalibratiecertificaten / meetmiddelbewijzen / Ex- en leveranciersverklaringen |
Climatools gereedschap- & apparatuurmodule |
Kwaliteitsverantwoordelijke |
Min. 5 jaar |
|
Certificaten personeel / onderaannemers |
Personeelsdossier / opdrachtdossier / kwaliteitsdossier |
Kwaliteitsverantwoordelijke |
Geldigheid + historische kopieën min. 5 jaar |
|
Taak-risicoanalyse (TRA) per werkzaamheid |
Extern TRA-formulier (tra.climatools.nl), als bijlage toegevoegd aan de werkbon in Climatools |
Werkvoorbereider / monteur (opstellen) · kwaliteitsverantwoordelijke (controle) |
Min. 5 jaar, gelijk aan de bijbehorende werkbon |
|
RI&E en plan van aanpak |
RI&E-applicatie (rie.climatools.nl) + kwaliteitsdossier |
Kwaliteitsverantwoordelijke / directie |
Actuele versie + historische versies min. 5 jaar |
|
Aanduiding van de situatie en het moment waarop de werkinstructie moet worden toegepast |
|
Deze werkinstructie wordt toegepast bij drukbeproeving van een nieuw geplaatst, gewijzigd of gerepareerd koudemiddelcircuit, vóór vacumeren en vullen, en na werkzaamheden waarbij drukhoudende delen zijn geopend, vervangen of opnieuw verbonden. |
|
Het voorbereidingsproces voor de daadwerkelijke uitvoer |
|
Controleer of de uitvoerende monteur bevoegd is voor het toegepaste deelgebied en koudemiddel. Bepaal per installatiedeel de maximaal toelaatbare druk (PS) en de vereiste beproevingsdruk aan de hand van de kenplaat, ontwerpdocumentatie, het fabrikantvoorschrift en de toepasselijke norm. Stel vast of het circuit in delen moet worden beproefd of als geheel kan worden beproefd. Controleer of de meetmiddelen een uniek identificatienummer hebben, geschikt zijn en binnen de controletermijn vallen. Zorg dat de verbindingen bereikbaar en zichtbaar zijn, dat het te beproeven deel geen koudemiddel bevat en dat de werkplek veilig is afgezet. Bij brandbare koudemiddelen worden de maatregelen uit de taak-risicoanalyse, werkvergunning en eventuele ATEX-afspraken vooraf bevestigd. |
|
De instrumenten en/of apparaten waarvan gebruik wordt gemaakt bij de uitvoering |
|
Manometer geschikt voor het toegepaste koudemiddel, droge stikstofcilinder met reduceerventiel en afleesbare manometer, directe lekdetectiemiddelen zoals zeepsop of lekzoekspray, thermometer indien nodig voor temperatuurscorrectie, en PBM conform taak-risicoanalyse. |
|
De te verrichten handelingen en de volgorde waarin deze worden uitgevoerd, zo nodig uitgesplitst naar verschillende situaties |
|
Controleer eerst met een lage voorvuldruk of sprake is van directe lekkage. Stel vóór aanvang per installatiedeel de laagste maximaal toelaatbare druk (PS) vast van alle componenten die in het te beproeven deel zijn opgenomen; die laagste waarde is bepalend. Componenten die de beproevingsdruk niet kunnen weerstaan, zoals bepaalde appendages, veiligheidsvoorzieningen en fabrieksmatig beproefde units, worden vóór het opvoeren van de druk afgesloten of losgenomen. Voer de sterktebeproeving uit met droge stikstof op ten minste 1,1 × PS van het beproefde installatiedeel. Voer de druk in stappen op en laat deze tussen de stappen stabiliseren. Houd de werkplek afgezet en blijf tijdens het opvoeren buiten de directe nabijheid van het circuit. Lage- en hogedrukzijde hebben doorgaans een verschillende PS en worden ieder op hun eigen 1,1 × PS beproefd; als beide zijden niet veilig als geheel kunnen worden beproefd, worden de installatiedelen afzonderlijk beproefd. Na de sterktebeproeving wordt de druk teruggebracht naar de dichtheidsbeproevingsdruk en worden alle verbindingen, appendages en relevante componenten gecontroleerd met een direct lekdetectiemiddel. De dichtheidsbeproeving wordt niet boven PS uitgevoerd. Laat de installatie zo lang op druk staan als nodig is om alle punten te controleren en de drukstabiliteit vast te stellen. Bij drukverlies of vervorming wordt de proef afgebroken, de oorzaak hersteld en de volledige beproeving herhaald |
|
Uitvoeren van de werkzaamheid na raadpleging van het logboek |
|
Vooraf wordt het logboek geraadpleegd om eerdere drukproeven, reparaties, lekkages, vervangingen en bijzonderheden vast te stellen. Bij logboekplichtige installaties wordt gecontroleerd of het logboek aanwezig en actueel is. Indien een verplicht logboek ontbreekt of onvolledig is, wordt dit op de werkbon in Climatools vastgelegd en gemeld. |
|
Normen (bijvoorbeeld NEN) en verordeningen die van toepassing zijn en bij de uitvoer in acht moeten worden genomen |
|
NEN-EN 378-2, NEN-EN-ISO 5149-4:2025, PED 2014/68/EU, Warenwetbesluit drukapparatuur en Verordening (EU) 2024/573 voor emissiepreventie. |
|
Registratie van relevante gegevens (bijvoorbeeld in het logboek) |
|
De beproevingsdruk, gebruikte methode standtijd, uitkomst van de proef, eventuele herstelacties en de identificatienummers van de gebruikte meetmiddelen worden vastgelegd op de werkbon in Climatools. Indien van toepassing wordt een drukbeproevingsbewijs toegevoegd aan het digitale logboek. Per zelfstandig circuit wordt een aparte registratie gemaakt. Een kopie wordt aantoonbaar aan eigenaar/ |
|
Aanduiding van de situatie en het moment waarop de werkinstructie moet worden toegepast |
|||||||||||||||
|
Deze werkinstructie wordt toegepast bij vacumeren van een nieuw geplaatst, gewijzigd of gerepareerd circuit nadat de drukbeproeving en lekdichtheidsbeproeving met goed resultaat zijn afgerond en vóór het vullen met koudemiddel. |
|||||||||||||||
|
Het voorbereidingsproces voor de daadwerkelijke uitvoer |
|||||||||||||||
|
Controleer of de uitvoerende monteur bevoegd is voor het toegepaste koudemiddel. Controleer of vacuümpomp, vacuümmeter en eventuele manometers een uniek identificatienummer hebben en binnen de controletermijn vallen. Controleer of de vacuümmeter een absolute druk kleiner dan 270 Pa kan weergeven. Zorg dat de stikstofdruk volledig en veilig is verwijderd voordat het vacumeren start. Open alle relevante afsluiters en zorg dat magneetkleppen, regelorganen en delen van het circuit die meegevacumeerd moeten worden ook daadwerkelijk bereikbaar/open zijn. Bij brandbare koudemiddelen of brandbare F-gassen wordt de gereedschapskeuze vooraf vastgesteld volgens 5.1.1. In een ATEX-zone wordt uitsluitend explosieveilig materieel gebruikt van de categorie die het EVD en de werkvergunning voorschrijven. Buiten een ATEX-zone geldt bij het openen van het circuit of een ander voorzienbaar vrijkomrisico de categorie 1/2-regel uit 5.1.1. Vonkarm (“vonkvrij”) handgereedschap wordt alleen als aanvullende maatregel toegepast wanneer de TRA een risico op mechanische vonken vaststelt. |
|||||||||||||||
|
De instrumenten en/of apparaten waarvan gebruik wordt gemaakt bij de uitvoering |
|||||||||||||||
|
Vacuümpomp, vacuümmeter, manometerset met geschikte vacuümaansluiting, stikstofcilinder met reduceerventiel voor het eventueel breken van het vacuüm en PBM conform taak-risicoanalyse. Indien 5.1.1 dit vereist: explosieveilige vacuümpomp/ |
|||||||||||||||
|
De te verrichten handelingen en de volgorde waarin deze worden uitgevoerd, zo nodig uitgesplitst naar verschillende situaties |
|||||||||||||||
|
Sluit de vacuümpomp aan en plaats de vacuümmeter bij voorkeur zo ver mogelijk van de pomp, bijvoorbeeld aan de installatiezijde, zodat de gemeten waarde representatief is voor het hele circuit. Vacumeer tot een absolute druk van minder dan 270 Pa is bereikt. Zet daarna de pomp stil en controleer of het vacuüm stabiel blijft. Bij een kleine of droge installatie blijft het bereikte vacuüm minimaal 30 minuten in stand. Bij grotere installaties, bij vochtbelasting of wanneer de druk oploopt, wordt het vacuüm met droge stikstof gebroken en wordt opnieuw gevacumeerd totdat een stabiel vacuüm is bereikt (zie onderstaande tabel). Herhaal dit proces zo vaak als nodig is. Vullen met koudemiddel is pas toegestaan wanneer het vereiste vacuüm aantoonbaar is bereikt en voldoende stabiel blijft. Als de druk duidelijk oploopt, wordt eerst de oorzaak onderzocht, zoals lekkage, restvocht of een niet goed afgesloten deel van het circuit
|
|||||||||||||||
|
Uitvoeren van de werkzaamheid na raadpleging van het logboek |
|||||||||||||||
|
Vooraf wordt het logboek geraadpleegd op eerdere lekkages, openingen van het circuit, vochtproblemen, compressorvervanging en andere werkzaamheden die invloed hebben op de benodigde vacumeerduur. Bij logboekplichtige installaties wordt gecontroleerd of het logboek actueel is en of eerdere meetwaarden beschikbaar zijn. |
|||||||||||||||
|
Normen (bijvoorbeeld NEN) en verordeningen die van toepassing zijn en bij de uitvoer in acht moeten worden genomen |
|||||||||||||||
|
NEN-EN-ISO 5149-4:2025 en Verordening (EU) 2024/573 voor emissiepreventie. Bij brandbare koudemiddelen aanvullend, indien relevant: Arbeidsomstandighedenbesluit, ATEX 153 en NPR 7600. |
|||||||||||||||
|
Registratie van relevante gegevens (bijvoorbeeld in het logboek) |
|||||||||||||||
|
Het bereikte vacuüm, de standtijd, het aantal keren breken met stikstof, de gebruikte methode en de identificatienummers van de vacuümmeter worden vastgelegd op de werkbon in Climatools en, indien van toepassing, toegevoegd aan het digitale logboek. Per zelfstandig circuit wordt een aparte registratie gemaakt. Wanneer 5.1.1 van toepassing is, worden tevens ATEX-relevantie, EVD/zone, vereiste categorie en de ID’s van het gebruikte explosieveilige of vonkarme gereedschap vastgelegd. |
|
Aanduiding van de situatie en het moment waarop de werkinstructie moet worden toegepast |
|
Deze werkinstructie wordt toegepast bij het vullen van apparatuur na een succesvol afgeronde drukbeproeving en vacumeerprocedure, en bij navullen na onderhoud of reparatie. |
|
Het voorbereidingsproces voor de daadwerkelijke uitvoer |
|
Controleer welk koudemiddel volgens ontwerp, kenplaat en documentatie moet worden toegepast en controleer of vullen is toegestaan. Controleer of de cilinder, weegschaal, manometerset en vulslangen geschikt zijn voor het toegepaste koudemiddel en binnen de controletermijn vallen. Gebruik geen niet-hervulbare cilinders. Controleer of de kenplaat aanwezig en leesbaar is en of de gegevens nog overeenkomen met de werkelijke situatie. Stel vast of sprake is van nieuw koudemiddel, gerecycled of geregenereerd koudemiddel en leg de herleidbaarheid vooraf vast. Bevestig vooraf welke emissiebeperkende maatregelen worden genomen bij het aansluiten en losnemen van slangen. |
|
De instrumenten en/of apparaten waarvan gebruik wordt gemaakt bij de uitvoering |
|
Weegschaal, manometerset, vulslangen, geschikte koudemiddelcilinder of servicecilinder, lekdetectietoestel passend bij het toegepaste koudemiddel, en PBM conform taak-risicoanalyse. |
|
De te verrichten handelingen en de volgorde waarin deze worden uitgevoerd, zo nodig uitgesplitst naar verschillende situaties |
|
Vul uitsluitend met het voorgeschreven koudemiddel en in de voorgeschreven hoeveelheid. Weeg de cilinder vóór en na het vullen. Ontlucht of purgeer de slangen op een emissiearme manier en voorkom vermenging van verschillende middelen, tenzij dit expliciet is toegestaan in het ontwerp of de instructie van de fabrikant. Vul beheerst en controleer tijdens het vullen of geen afwijkende druk- of temperatuurverschijnselen optreden. Na het vullen worden de vulslangen emissiearm losgenomen en worden de aansluitpunten direct afgesloten met doppen of kappen. Controleer daarna de serviceaansluitingen en andere geopende punten met een geschikt lekdetectiemiddel of lekdetectietoestel. Indien de koudemiddelinhoud of etikettering wijzigt, wordt de kenplaat aangepast of wordt de afwijking vastgelegd voor opvolging.. |
|
Uitvoeren van de werkzaamheid na raadpleging van het logboek |
|
Vooraf wordt het logboek geraadpleegd op eerdere vullingen, lekkages, terugwinning, retrofit, koudemiddelwissels en geregistreerde totale inhoud van het circuit. Indien een installatie logboekplichtig is en het logboek ontbreekt of niet actueel is, wordt dit gemeld en vastgelegd op de werkbon in Climatools. |
|
Normen (bijvoorbeeld NEN) en verordeningen die van toepassing zijn en bij de uitvoer in acht moeten worden genomen |
|
Verordening (EU) 2024/573, NEN-EN-ISO 5149-4_2025 en, indien van toepassing voor etikettering, Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2174. |
|
Registratie van relevante gegevens (bijvoorbeeld in het logboek) |
|
Op de werkbon in Climatools worden per zelfstandig circuit vastgelegd: type koudemiddel, toegevoegde hoeveelheid in kg en waar relevant in ton CO2-equivalent, reden van vullen, status nieuw/ |
|
Aanduiding van de situatie en het moment waarop de werkinstructie moet worden toegepast |
|
Deze werkinstructie wordt toegepast bij het verwijderen van één van de stoffen genoemd in 1.2 voorafgaand aan reparatie, modificatie, demontage of buitengebruikstelling van apparatuur. |
|
Het voorbereidingsproces voor de daadwerkelijke uitvoer |
|
Controleer welk koudemiddel aanwezig is en welke verwerkingsroute voor dat middel geldt. Controleer of afpompunit, retourcilinder, weegschaal, manometerset en slangen geschikt zijn voor het toegepaste middel, voorzien zijn van identificatie en binnen de controletermijn vallen. Controleer of de retourcilinder correct is gelabeld voor het betreffende gas. Stem vooraf af of sprake is van terugwinning voor hergebruik, afvoer, regeneratie of recycling. Bij brandbare koudemiddelen, CO2 of NH3 worden de middel-specifieke veiligheidsmaatregelen vooraf bevestigd in de taak-risicoanalyse. |
|
De instrumenten en/of apparaten waarvan gebruik wordt gemaakt bij de uitvoering |
|
Afpompunit of terugwinunit, manometerset, weegschaal, geschikte retourcilinder, lekdetectiemiddel of lekdetectietoestel passend bij het toegepaste koudemiddel, en PBM conform taak-risicoanalyse. |
|
De te verrichten handelingen en de volgorde waarin deze worden uitgevoerd, zo nodig uitgesplitst naar verschillende situaties |
|
Sluit de afpompunit en retourcilinder aan volgens de werkwijze voor het toegepaste koudemiddel en voorkom onnodige emissie bij het aansluiten en losnemen van slangen. Win F-gassen en ozonlaagafbrekende stoffen terug in een geschikte en gelabelde retourcilinder. Verwijder indien nodig ook met koudemiddel verontreinigde olie en voer deze af volgens de geldende afvalstroom. Weeg de teruggewonnen hoeveelheid nauwkeurig. Sluit na het terugwinnen de installatie af zodat geen lucht en vocht onnodig het circuit binnendringen. Voor CO2 geldt dat afblazen alleen op veilige wijze mag plaatsvinden als de middel-specifieke procedure en de taak-risicoanalyse dat toestaan. Voor NH3 worden de veiligheidsprocedures uit de actuele PGS 13 en de bedrijfsspecifieke instructies gevolgd. |
|
Uitvoeren van de werkzaamheid na raadpleging van het logboek |
|
Vooraf wordt het logboek geraadpleegd op geregistreerde inhoud, eerdere terugwinning, lekkages, verontreiniging, retrofit en eerdere buitengebruikstellingen. De geregistreerde inhoud wordt vergeleken met de werkelijke teruggewonnen hoeveelheid; afwijkingen worden onderzocht en vastgelegd. |
|
Normen (bijvoorbeeld NEN) en verordeningen die van toepassing zijn en bij de uitvoer in acht moeten worden genomen |
|
Verordening (EU) 2024/573, Verordening (EU) 2024/590 voor ozonlaagafbrekende stoffen, NEN-EN-ISO 5149-4_2025 ADR en PGS 15 voor vervoer en opslag van cilinders, en voor NH3 de actuele PGS 13. |
|
Registratie van relevante gegevens (bijvoorbeeld in het logboek) |
|
De teruggewonnen hoeveelheid, het type koudemiddel, de reden van terugwinning, de bestemming van het middel, de status gerecycled/ |
|
Aanduiding van de situatie en het moment waarop de werkinstructie moet worden toegepast |
|
Deze werkinstructie wordt toegepast bij de inbedrijfstelling van nieuw geplaatste, gewijzigde of gerepareerde apparatuur nadat drukbeproeving, vacumeren en vullen zijn afgerond. |
|
Het voorbereidingsproces voor de daadwerkelijke uitvoer |
|
Controleer of de installatie compleet is, alle documenten beschikbaar zijn en de kenplaat en relevante instructies aanwezig zijn. Controleer of de gebruikte meetmiddelen geschikt zijn voor het toegepaste koudemiddel, een identificatienummer hebben en binnen de controletermijn vallen. Controleer of veiligheidsvoorzieningen, afsluiters, isolatie, afschermingen, sensoren en bedrading gereed zijn voor bedrijfsname. Volg de opstartinstructies van de leverancier; bij een zelf samengesteld systeem worden de instructies van deelleveranciers gevolgd. |
|
De instrumenten en/of apparaten waarvan gebruik wordt gemaakt bij de uitvoering |
|
Manometer(set) en temperatuurmeter, lekdetectietoestel passend bij het toegepaste koudemiddel en PBM conform taak-risicoanalyse. |
|
De te verrichten handelingen en de volgorde waarin deze worden uitgevoerd, zo nodig uitgesplitst naar verschillende situaties |
|
Voer eerst een pre-inspectie uit op documentatie, visuele staat van de installatie en volledigheid van de montage. Start de installatie vervolgens op volgens de instructie van de fabrikant. Controleer de werkdrukken en de daarbij behorende temperaturen (oververhitting/ |
|
Uitvoeren van de werkzaamheid na raadpleging van het logboek |
|
Vooraf wordt het logboek geraadpleegd op eerdere inbedrijfstellingen, storingen, lekkages, vervangingen en gewijzigde instellingen. Bij een nieuwe logboekplichtige installatie wordt een digitaal logboek in Climatools aangemaakt of aangevuld voordat de installatie wordt opgeleverd |
|
Normen (bijvoorbeeld NEN) en verordeningen die van toepassing zijn en bij de uitvoer in acht moeten worden genomen |
|
NEN-EN 378 deel 2 en deel 4, Verordening (EU) 2024/573 en, indien van toepassing, Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2174 voor etikettering. |
|
Registratie van relevante gegevens (bijvoorbeeld in het logboek) |
|
De resultaten van de inbedrijfstelling worden vastgelegd op de werkbon in Climatools. Daarbij worden in ieder geval opgenomen: gemeten drukken en temperaturen, oververhitting en/of onderkoeling, gebruikte methode, gebruikte meetmiddelen, geconstateerde afwijkingen, bevestiging van lekkagecontrole, en of handleiding, logboek en relevante technische informatie aan eigenaar/ |
|
Aanduiding van de situatie en het moment waarop de werkinstructie moet worden toegepast |
|
Deze werkinstructie wordt toegepast bij tijdelijke of definitieve buitengebruikstelling van apparatuur, inclusief situaties van demontage, sloop of langdurige stilstand. |
|
Het voorbereidingsproces voor de daadwerkelijke uitvoer |
|
Bepaal vooraf of sprake is van tijdelijke stilstand of definitieve buitengebruikstelling. Controleer welk koudemiddel aanwezig is en welke verwerkingsroute daarvoor geldt. Controleer of afpompunit, cilinders, weegschaal, afsluitmateriaal en markering beschikbaar en geschikt zijn. Maak de installatie spanningsloos waar nodig en borg tegen onbedoelde herinschakeling. Stem af met opdrachtgever/ |
|
De instrumenten en/of apparaten waarvan gebruik wordt gemaakt bij de uitvoering |
|
Afpompunit, manometerset, weegschaal, geschikte cilinders, markering of label voor buitengebruikstelling, en PBM conform taak-risicoanalyse. |
|
De te verrichten handelingen en de volgorde waarin deze worden uitgevoerd, zo nodig uitgesplitst naar verschillende situaties |
|
Verwijder of verwerk het aanwezige koudemiddel volgens de middel-specifieke procedure. Win F-gassen en ozonlaagafbrekende stoffen terug. Voor CO2 wordt de veilige verwerkingsroute gevolgd volgens de taak-risicoanalyse en NPR 7601; PGS 9 geldt aanvullend uitsluitend wanneer de cryogene CO2-opslag binnen het toepassingsbereik van die richtlijn valt. Voor NH3 wordt PGS 13 toegepast. Verwijder indien nodig verontreinigde olie. Sluit open verbindingen af zodat geen lucht, vocht of vervuiling kan binnendringen. Maak de installatie spanningsloos of mechanisch buiten bedrijf conform de overeengekomen situatie. Breng een duidelijke markering aan dat de installatie buiten gebruik is gesteld. Bij definitieve buitengebruikstelling wordt vastgelegd welke onderdelen zijn verwijderd of veiliggesteld. |
|
Uitvoeren van de werkzaamheid na raadpleging van het logboek |
|
Vooraf wordt het logboek geraadpleegd op geregistreerde inhoud, eerdere storingen, eerdere stilstanden en bijzondere afspraken met de eigenaar. Achteraf wordt gecontroleerd of de buitengebruikstelling, inclusief de genomen maatregelen voor gasverwijdering, volledig in het logboek is verwerkt. |
|
Normen (bijvoorbeeld NEN) en verordeningen die van toepassing zijn en bij de uitvoer in acht moeten worden genomen |
|
Verordening (EU) 2024/573, Verordening (EU) 2024/590 voor ozonlaagafbrekende stoffen, NEN-EN-ISO 5149-4:2025, ADR en PGS 15; voor CO2 NPR 7601 en waar van toepassing PGS 9; voor NH3 PGS 13. |
|
Registratie van relevante gegevens (bijvoorbeeld in het logboek) |
|
Op de werkbon in Climatools en, indien van toepassing, in het digitale logboek worden vastgelegd: datum buitengebruikstelling, reden, teruggewonnen of afgevoerde hoeveelheden, genomen maatregelen om de gassen terug te winnen of te verwijderen, de markering van de installatie als buiten gebruik en de identificatie van de uitvoerende onderneming en monteur. Per zelfstandig circuit wordt een aparte registratie gemaakt. |
|
Aanduiding van de situatie en het moment waarop de werkinstructie moet worden toegepast |
|
Deze werkinstructie wordt toegepast bij periodieke lekkagecontrole, bij onderhoud en service, na reparatie, bij oplevering en telkens wanneer er aanwijzingen zijn voor een lekkage of verhoogd lekkagerisico. |
|
Het voorbereidingsproces voor de daadwerkelijke uitvoer |
|
Controleer of het lekdetectietoestel geschikt is voor het toegepaste koudemiddel en aantoonbaar op goede werking is gecontroleerd. Voor F-gassen wordt vooraf gecontroleerd met een geschikt testgas of referentiemiddel. Voor CO2 wordt een geschikte CO2-detector of CO2-lekdetectiespray gebruikt. Voor NH3 wordt een geschikte ammoniakmethode gebruikt, zoals lakmoespapier, een geschikt zuur/ |
|
De instrumenten en/of apparaten waarvan gebruik wordt gemaakt bij de uitvoering |
|
Lekdetectietoestel passend bij het toegepaste koudemiddel, directe lekdetectiemiddelen zoals lekzoekspray of zeepoplossing, manometers en thermometer indien nodig voor aanvullende beoordeling, en PBM conform taak-risicoanalyse. |
|
De te verrichten handelingen en de volgorde waarin deze worden uitgevoerd, zo nodig uitgesplitst naar verschillende situaties |
|
Raadpleeg eerst de installatiegegevens en bepaal of het circuit in bedrijf of stilstaand wordt gecontroleerd. Controleer bij een stilstaand circuit, voor zover mogelijk, druk, temperatuur, olie- of vloeistofniveau en punten waar emissie kan optreden, aangevuld met een visuele inspectie op oliesporen, corrosie, beschadigingen en vervuiling. Controleer bij een draaiende installatie de werkdrukken en temperaturen, de koudemiddelvulling en alle kritische punten, zoals verbindingen, afsluiters, servicepoorten, ontlastorganen, trillingsgevoelige delen en corrosieplekken. Verborgen leidingen worden alleen gecontroleerd als daar aanleiding voor is. Bij lekkage worden oorzaak en herstelmaatregel direct vastgelegd en wordt een herstelcontrole ingepland conform wet- en regelgeving. Voor F-gassen en HFO's wordt de controlefrequentie bepaald volgens tabel 3.2.9.1, inclusief de vrijstellingen voor hermetisch gesloten apparatuur. Een aantoonbaar goed werkend automatisch lekdetectiesysteem verdubbelt het controle-interval. Vanaf 500 ton CO2-equivalent (Bijlage I) of 100 kg (Bijlage II, sectie 1) is het systeem voor de relevante stationaire apparatuur verplicht en bedraagt het controle-interval maximaal 6 maanden. |
|
Uitvoeren van de werkzaamheid na raadpleging van het logboek |
|
Het logboek wordt vooraf geraadpleegd op terugkerende lekkages, eerdere reparaties, probleemgebieden, vorige meetresultaten en aanwezigheid of functioneren van een automatisch lekdetectiesysteem. Bij constatering van herhaald lekverlies wordt dit expliciet gemeld en vastgelegd voor oorzaakanalyse en advies aan de exploitant. |
|
Normen (bijvoorbeeld NEN) en verordeningen die van toepassing zijn en bij de uitvoer in acht moeten worden genomen |
|
Verordening (EU) 2024/573, NEN-EN 378, NEN-EN 14624:2020 en ISO 6141 voor testgas bij F-gasdetectoren, en voor NH3 de actuele PGS 13. |
|
Registratie van relevante gegevens (bijvoorbeeld in het logboek) |
|
Op de werkbon in Climatools worden per zelfstandig circuit vastgelegd: datum en aanleiding van de controle, toegepaste methode, identificatienummers van het lekdetectietoestel en de overige gebruikte meetmiddelen, resultaat van de controle, geconstateerde lekkage en oorzaak, uitgevoerde herstelmaatregel en de datum en uitkomst van de herstelcontrole. Ook de aanwezigheid en werking van een automatisch lekdetectiesysteem worden geregistreerd. Bij logboekplicht worden de gegevens toegevoegd aan het digitale logboek. Een kopie wordt aantoonbaar aan de eigenaar/ |
|
Aanduiding van de situatie en het moment waarop de werkinstructie moet worden toegepast |
|
Deze werkinstructie wordt toegepast vóór de start van risicovolle werkzaamheden aan installaties met de stoffen genoemd in 1.2, en in ieder geval bij brandbare koudemiddelen, werkzaamheden in of nabij ATEX-zones, heetwerk, werkzaamheden met meerdere disciplines, werkzaamheden in besloten ruimten en andere situaties waarin een verhoogd veiligheids- of milieurisico aanwezig is. |
|
Het voorbereidingsproces voor de daadwerkelijke uitvoer |
|
Verzamel vooraf alle relevante gegevens: type installatie, toegepast koudemiddel, installatielocatie, logboek, schema’s, werkvergunningen, veiligheidsinformatiebladen, leveranciersinstructies, eerdere incidenten en, indien van toepassing, het explosieveiligheidsdocument. Bepaal welke medewerkers worden ingezet en controleer of zij aantoonbaar bevoegd en geïnstrueerd zijn. Bevestig vooraf de werkgrenzen, noodprocedures, communicatieroutes, vrije vluchtwegen en de stopcriteria voor het werk. |
|
De instrumenten, apparaten en of documentatie waarvan gebruik wordt gemaakt bij de uitvoering |
|
TRA-formulier via https://tra.climatools.nl/ installatiegegevens, logboek, werkvergunning, veiligheidsinformatiebladen, gasmeetapparatuur passend bij het risico, communicatiemiddel, en PBM die uit de risicoanalyse volgen. |
|
De te verrichten handelingen en de volgorde waarin deze worden uitgevoerd, zo nodig uitgesplitst naar verschillende situaties |
|
Inventariseer eerst alle gevaren voor mens, omgeving, installatie en milieu. Beoordeel vervolgens per gevaar de kans en het effect en bepaal de benodigde beheersmaatregelen volgens de arbeidshygiënische strategie: eerst bronmaatregelen, daarna collectieve maatregelen, daarna organisatorische of individuele maatregelen en pas daarna PBM. Leg vast welke maatregelen nodig zijn voor spanningsloos maken, drukloos maken, ventilatie, afscherming, brandpreventie, gasmeting, toegangsbeperking, heetwerk, werkvergunning, toezicht, noodstop en alarmering. Bij brandbare koudemiddelen wordt 5.1.1 toegepast en wordt expliciet beoordeeld of een ATEX-zone aanwezig of mogelijk is, of het circuit wordt geopend en of koudemiddel kan vrijkomen. Het EVD en de werkvergunning worden gecontroleerd. In een ATEX-zone geldt de categorie uit het EVD; buiten een ATEX-zone geldt bij openen of ander vrijkomrisico categorie 1 of 2 voor gereedschappen/ |
|
Uitvoeren van de werkzaamheid na raadpleging van het logboek |
|
Het logboek wordt vooraf geraadpleegd op eerdere incidenten, lekkages, terugkerende storingen, eerdere getroffen maatregelen en bijzonderheden van de opstellingsruimte. Deze informatie wordt meegenomen in de taak-risicoanalyse en in de keuze van beheersmaatregelen. |
|
Normen (bijvoorbeeld NEN) en verordeningen die van toepassing zijn en bij de uitvoer in acht moeten worden genomen |
|
Arbowet, Arbeidsomstandighedenbesluit, ATEX 153 (1999/92/EG), NEN-EN 1127-1:2019, NEN-EN 378, NPR 7600:2020, NPR 7601:2020 en voor NH3 de actuele PGS 13. |
|
Registratie van relevante gegevens (bijvoorbeeld in het logboek) |
|
Via https://tra.climatools.nl/ wordt een TRA gemaakt en als PDF gexporteerd en aan de relevante werkbon(nen) in Climatools toegevoegd. |
|
Aanduiding van de situatie en het moment waarop de werkinstructie moet worden toegepast |
|
Deze werkinstructie wordt toegepast vóór en tijdens alle werkzaamheden waarbij persoonlijke beschermingsmiddelen noodzakelijk zijn op basis van de taak-risicoanalyse, het veiligheidsinformatieblad, de werkvergunning, de opstellingsruimte of het toegepaste koudemiddel. |
|
Het voorbereidingsproces voor de daadwerkelijke uitvoer |
|
Bepaal vooraf welke PBM verplicht zijn voor de specifieke werkzaamheid, het toegepaste koudemiddel en de werkomgeving. Controleer of de PBM beschikbaar, schoon, onbeschadigd, passend en binnen de gebruiks- of keurtermijn zijn. Controleer of de medewerkers zijn geïnstrueerd in gebruik, onderhoud en vervanging van de PBM. Bevestig vooraf waar PBM verplicht gedragen moeten worden en wie toezicht houdt op het juiste gebruik. |
|
De instrumenten, apparaten en of documentatie waarvan gebruik wordt gemaakt bij de uitvoering |
|
PBM conform taak-risicoanalyse, waaronder ten minste veiligheidsschoenen, passende werk- of antistatische kleding waar vereist, veiligheidsbril of gelaatsscherm, handschoenen passend bij de handeling en het medium, gehoorbescherming waar nodig, persoonlijke gasdetectie waar nodig, en eventueel PBM-set voor NH3/heetwerk/ |
|
De te verrichten handelingen en de volgorde waarin deze worden uitgevoerd, zo nodig uitgesplitst naar verschillende situaties |
|
Controleer vóór gebruik of de PBM geschikt zijn voor de uit te voeren taak. Draag de verplicht gestelde PBM gedurende de volledige werkzaamheid. Bij heetwerk worden de daarvoor vereiste las- en hittebestendige PBM gebruikt. Bij werkzaamheden met brandbare koudemiddelen worden, waar van toepassing, antistatische kleding en schoenen gedragen en wordt persoonlijke gasdetectie gebruikt. Bij werkzaamheden met CO2 wordt altijd persoonlijke CO2-gasdetectie gebruikt wanneer geen stationair detectie- en alarmeringssysteem aanwezig is; PBM beschermen niet tegen een te hoge CO2-concentratie, waardoor ventilatie, gasmeting en toegangsbeperking leidend zijn. Ruimten met concentraties boven de toelaatbare waarden worden alleen betreden door daartoe bevoegde personen met onafhankelijke adembescherming. Bij NH3 worden de bedrijfsspecifieke en PGS 13-conforme PBM toegepast. Beschadigde of vervuilde PBM worden direct vervangen en niet opnieuw gebruikt voordat deze zijn gereinigd, gecontroleerd of afgekeurd. |
|
Uitvoeren van de werkzaamheid na raadpleging van het logboek |
|
Het logboek wordt vooraf geraadpleegd op eerdere incidenten, gasalarmen, lekkages, afwijkende opstellingsomstandigheden en andere bijzonderheden die invloed hebben op de keuze van PBM. Deze informatie wordt overgenomen in de taak-risicoanalyse en de werkvoorbereiding. |
|
Normen (bijvoorbeeld NEN) en verordeningen die van toepassing zijn en bij de uitvoer in acht moeten worden genomen |
|
Arbowet, Arbeidsomstandighedenbesluit hoofdstuk 8, NEN-EN 378, NPR 7600:2020, NPR 7601:2020, de actuele PGS 13 en het veiligheidsinformatieblad van het toegepaste koudemiddel. |
|
Registratie van relevante gegevens (bijvoorbeeld in het logboek) |
|
De voorgeschreven PBM worden vastgelegd op de werkbon of in de taak-risicoanalyse in Climatools. Afwijkingen, vervanging van defecte PBM en incidenten worden in Climatools geregistreerd. Wanneer een PBM-gerelateerde afwijking relevant is voor de installatiehistorie of de veiligheid van de exploitant, wordt hiervan een aantekening toegevoegd aan het digitale logboek. |
Dit hoofdstuk bevat de procedures en instructies die voortvloeien uit de aanvullende eisen die gesteld worden in deelgebied uit deze BRL waarbij gefluoreerde broeikgasgassen of koolwaterstoffen zijn betrokken.
DOEL EN TOEPASSING
Deze procedure wordt toegepast bij installatie, onderhoud, service, reparatie, vullen, terugwinning, lekkagecontrole en buitengebruikstelling van koeltechnische installaties met F-gassen of koolwaterstoffen.
WERKWIJZE
Voor aanvang controleert de monteur het juiste circuit, het koudemiddel, de werkzaamheden en de geschiktheid van de meetmiddelen. Werkzaamheden worden emissiearm uitgevoerd. Bij brandbare koudemiddelen wordt altijd de beslisprocedure in 5.1.1 doorlopen en wordt, indien risicovol werk aanwezig is, de TRA-procedure uit 5.5 toegepast. Lekkages, defecten met emissierisico en vervolgacties worden direct op de werkbon vastgelegd. Bij herhaaldelijke lekkage of onverklaarbare emissie wordt een incident aangemaakt in de incidentenmodule.
Explosieveilig gereedschap is geen algemene eis voor iedere koeltechnische handeling. Blijft het circuit gesloten en is er geen door de exploitant aangemerkte explosiegevaarlijke zone, dan gelden vanuit deze paragraaf geen aanvullende eisen.
Zodra sprake is van een aangemerkte explosiegevaarlijke zone, een voorschrift uit het explosieveiligheidsdocument (EVD) of de werkvergunning, of het openen van een circuit met brandbaar koudemiddel dan wel een ander voorzienbaar vrijkomrisico, geldt de TRA-procedure uit 5.5. Daar wordt bepaald welke beheersmaatregelen en welke categorie gereedschap vereist zijn.
Deze paragraaf geldt voor koolwaterstoffen (veiligheidsklasse A3) en brandbare F-gassen (A2L), en daarnaast voor iedere aangemerkte explosiegevaarlijke zone ongeacht het toegepaste koudemiddel. Het beheer van explosieveilig materieel is beschreven in 5.1.2.
TOEPASSING
Deze paragraaf geldt uitsluitend voor materiaal dat op grond van de beslisprocedure in 5.1.1 vereist is. Voor alle overige meetmiddelen en gereedschappen gelden A3.3.1 tot en met A3.3.4. De vraag óf deze paragraaf van toepassing is, wordt beantwoord in 5.1.1 en niet hier
Registratie in Climatools
Gereedschap en apparatuur die op grond van 5.1.1 vereist zijn worden binnen de gereedschapsmodule zodanig gemarkeerd. Het bijbehorende bewijsstuk wordt als bestand geüpload bij het betreffende gereedschap. Zonder geüpload bewijsstuk wordt het middel niet als ATEX geschikt aangemerkt en niet ingezet.
DOEL EN TOEPASSING
Deze procedure geldt voor ieder zelfstandig circuit met F-gassen waarvoor vanuit de BRL 100 versie 3.0 registratie verplicht is. Voor koolwaterstoffen geldt geen F-gassenregistratie. Verkoop aan derden is binnen deze Climatools-procedure voor de onderneming niet van toepassing, tenzij expliciet vermeld.
WERKWIJZE
ALGEMEEN
Procedure m.b.t. het bijhouden van de f-gassenregistratie en het opstellen van de f-gassenbalans. F-gassen registraties blijven 5 jaar bewaard.
Uitvoering
Wanneer koudemiddel wordt ingekocht wordt deze bij levering direct ingeboekt in de software van Climatools, hierin worden de volgende gegevens ingevoerd:
Inkoop koudemiddel = het totale aflevergewicht minus tarra.
Uitvoering
Verbruik van koudemiddel wordt via de Climatools software beheerd. Bij iedere mutatie verbruik worden de volgende gegevens bijgehouden:
Weegverschil heeft als doel na te gaan of het daadwerkelijk om een weegverschil gaat of eventueel lekkage van de cilinder van toepassing is.
Terugname van koudemiddel wordt via Climatools (retour cilinder) beheerd. Bij iedere mutatie verbruik worden de volgende gegevens bijgehouden:
Per kalenderjaar zal een f-gassenbalans worden opgemaakt per type koudemiddel en heeft betrekking op alle koudemiddelen welke zijn ingekocht, verkocht, teruggewonnen, (bij)gevuld en/of afgegeven voor vernietiging of regeneratie.
De f-gassenbalans wordt over ieder kalenderjaar uiterlijk vóór 1 maart opgesteld en bevat tenminste de volgende gegevens (uitgedrukt in kilogrammen met een precisie van 0,1 kg en in CO2-equivalenten en CO2-equivalenten):
Gegevens vermeld op de flessenkaarten zullen gebruikt worden voor het opmaken van de jaarbalans.
Voor het opmaken wordt gebruik gemaakt van Climatools software welke een sjabloon jaarbalans genereert overeenkomstig met het model omschreven in de laatste BRL100.
De werkelijke voorraad per 31 december wordt vastgesteld op basis van de feitelijk aanwezige cilinders en de daarbij behorende weging. Eventuele verschillen tussen de berekende en de werkelijke voorraad worden onderzocht, vastgelegd en van een duidelijke oorzaak voorzien. Indien een verschil niet direct verklaarbaar is, wordt dit geregistreerd als incident in Climatools, inclusief oorzaak-analyse, corrigerende maatregel en verbeteractie. Doorverkoop aan derden is binnen deze procedure niet van toepassing, tenzij de onderneming deze activiteit uitvoert.
ALGEMEEN
Na het herstel van een lekkage moet worden vastgesteld of de reparatie doeltreffend is geweest. Deze hercontrole wordt uitgevoerd door een gecertificeerde monteur en vindt uiterlijk één maand na de reparatie plaats.
Het vroegste moment waarop de hercontrole mag plaatsvinden verschilt per type apparatuur:
De onderneming wijst de eigenaar/
Zowel de melding aan de exploitant als de uitgevoerde hercontrole worden vastgelegd in het installatiedossier.
UITVOERING
Wanneer bij werkzaamheden een lekkage wordt vastgesteld en hersteld, informeert de onderneming de eigenaar/
HERHALENDE INCIDENTEN
Indien na herstel opnieuw lekkage optreedt of sprake is van herhaalde lekkage, wordt de oorzaak grondig onderzocht en wordt de installatie breder beoordeeld op mogelijke oorzaken van herhaallekkage. Indien sprake is van een blijvend risico op herhaalde lekkage, adviseert de onderneming de eigenaar/
DOEL EN TOEPASSING
Deze procedure geldt voor risicovolle werkzaamheden aan stationaire installaties met koolwaterstoffen of brandbare F-gassen waarbij brand- en/of explosiegevaar kan ontstaan, zoals openen van het circuit, heetwerk, werken in besloten ruimten of werken in of nabij een ATEX-relevante omgeving.
Werkwijze
VASTLEGGING IN CLIMATOOLS
De externe TRA-bijlage wordt toegevoegd aan de werkbon, zodat deze voor iedereen zichtbaar is die aan de bon werkt.
Doel en toepassing
Deze procedure geldt bij installatie, inbedrijfstelling, onderhoud, modificatie, buitengebruikstelling en cilinderbeheer van installaties met F-gassen en koolwaterstoffen.
Bedrijfsspecifieke invulling
Digitaal gegenereerd in Climatools: kenplaten en cilinderlabels worden gegenereerd en geprint vanuit Climatools met de kenplaatprinter.
Voorgeprinte kenplaten: het bedrijf gebruikt voorgeprinte kenplaten. De monteur vult de installatiespecifieke gegevens onuitwisbaar in.
Werkwijze
Variant A: de kenplaat wordt aangepast en opnieuw geprint vanuit Climatools met de kenplaatprinter
Variant B: de monteur brengt een voorgeprinte kenplaat aan en vult de actuele installatiegegevens onuitwisbaar. De oude kenplaat wordt verwijderd of onleesbaar gemaakt.
Voor installaties met koolwaterstoffen wordt gecontroleerd of de juiste veiligheidsaanduiding, namelijk het volgende symbool: (figuur 1) aanwezig is. Ontbreekt deze, dan brengt de monteur deze aan. De
Climatools kenplaat bevat dit symbool automatisch bij installaties met koolwaterstoffen.

Vastlegging in Climatools
Nieuwe of gewijzigde kenplaten en cilinderlabels worden vanuit Climatools gegenereerd. Op de werkbon worden vastgelegd: controle uitgevoerd op aanwezigheid, afwijking ja/nee, label geprint ja/nee, en eventuele externe opvolging richting ILT. Waar mogelijk wordt foto-bewijs toegevoegd.
Periodiek onderhoud heeft tot doel te borgen dat de installatie blijft presteren volgens de specificaties, dat lekkage wordt voorkomen en dat de bedrijfscontinuiteit wordt verlengd. Deze procedure geldt bij elke onderhoudsinterventie aan een installatie waarvoor de onderneming onderhoud verricht, en is een aanvulling op processtap A3.2.11 Onderhouden.
Bij elke interventie worden ten minste de onderstaande aspecten gecontroleerd. De resultaten worden vastgelegd op de Energie Checklist in de werkbon in Climatools. Let op: deze checklist is enkel zichtbaar als je STEK bedrijfscertificaatnummer is ingevuld in je bedrijfsprofiel
|
Nr |
Controlepunt |
|---|---|
|
1 |
Controleer of de koudemiddelleidingen tussen koelmachine en verdamper(s) geisoleerd zijn, bij multisplitsystemen. Controleer bij koudemiddelleidingen in de buitenlucht de staat van de isolatie. |
|
2 |
Lokaliseer de condensors en controleer de toestand, waaronder vervuiling, en de werking van de installatie. |
|
3 |
Controleer de warmtewisselaars in de ruimtes op vervuiling. Deze controle wordt steekproefsgewijs uitgevoerd. |
|
4 |
Controleer of er meters aanwezig zijn voor het meten van het energiegebruik van de installaties. Stel de opgenomen amperages vast. |
|
5 |
Stel het opgestelde koelvermogen vast en noteer dit. |
|
6 |
Controleer de persdruk en de zuigdruk, door meting van temperatuur of druk. Stel vast of de gemeten waarden acceptabel zijn met inachtneming van het type koudemiddel, de aard van de toepassing en de omgevingstemperatuur, en of zij in overeenstemming zijn met eerdere metingen. |
|
7 |
Controleer de lekdichtheid van de installatie. |
|
8 |
Controleer het correct functioneren van de noodstop en het alarmeringssysteem. |
|
9 |
Controleer eventueel aanwezige CO2-sensoren door deze bloot te stellen aan een testgas met een CO2-concentratie tussen 5.000 en 6.000 ppm. |
Controlepunt 6 vereist dat de gemeten waarden worden vergeleken met eerdere metingen aan dezelfde installatie. Climatools maakt voor elke installatie een logboek aan en voegt elke werkregistratie daar automatisch aan toe. De onderhoudsgegevens uit 6.2 zijn daardoor per installatie chronologisch beschikbaar.
Geven de controleresultaten in alle redelijkheid aanleiding tot twijfel over het energetisch rendement van de installatie, dan wordt de opdrachtgever hierover aantoonbaar geadviseerd. Het advies beschrijft de bevinding, de vermoedelijke oorzaak en de voorgestelde maatregel, en wordt schriftelijk of digitaal verstrekt en vastgelegd in het installatiedossier. Dezelfde adviesplicht geldt bij bevindingen die wijzen op verhoogd risico op lekkage of op een niet functionerende veiligheidsvoorziening.
Beschikt de onderneming over een geldig certificaat NEN-EN-ISO 14001 met een toepassingsgebied dat de werkzaamheden dekt, dan geldt dat als bewijs dat is voldaan aan dit hoofdstuk.
De onderneming gaat verantwoord om met afvalstoffen die ontstaan tijdens installatie en onderhoud/
|
Bedrijf |
Afvalstroomnummer |
Bedrijf |
Afvalstroomnummer |
|---|---|---|---|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Het handelen ten aanzien van teruggewonnen koudemiddelen is gericht op hergebruik. Verschillende koudemiddelen worden in gescheiden retourcilinders verzameld, omdat mengsels niet kunnen worden geregenereerd en moeten worden verbrand.
De monteur stelt voor terugwinning vast welk koudemiddel in het circuit aanwezig is en kiest een retourcilinder die uitsluitend voor dat type is bestemd. Retourcilinders zijn als zodanig gemarkeerd, met vermelding van het type koudemiddel. Bij twijfel over de samenstelling wordt de inhoud als mengsel behandeld en als zodanig aangeboden.
Bij onderhoud beoordeelt de onderneming of de prestaties van de installatie in overeenstemming zijn met het energiegebruik. Daartoe vindt tijdens elke interventie de controle plaats van de aspecten uit 6.2, in het bijzonder de punten 1 tot en met 6. De resultaten worden vastgelegd op de werkregistratie.
Geven de controleresultaten aanleiding tot twijfel over het energetisch rendement van de installatie, dan wordt de opdrachtgever hierover aantoonbaar geadviseerd, zie 6.4. De kwaliteitsverantwoordelijke bespreekt de bevindingen over energie en afval jaarlijks in de directiebeoordeling, met aandacht voor terugkerende patronen en verbetermogelijkheden.
De eisen in dit hoofdstuk zijn met name gericht op een veilige werkomgeving op de uitvoeringslocaties. Beschikt de onderneming over een geldig VCA-certificaat van een geaccrediteerde certificatie-instelling, dan wordt conformiteit met dit hoofdstuk verondersteld. In dat geval toont de onderneming aan dat alle veiligheidseisen ten aanzien van het werken met natuurlijke koudemiddelen in de KAM-procedures zijn opgenomen.
De onderneming beschikt over een actuele risico-inventarisatie en -evaluatie met plan van aanpak, waarin de veiligheid van de uitvoering op projectlocaties is beschouwd. De RI&E krijgt aantoonbaar opvolging binnen de onderneming. De resultaten en de daarmee samenhangende acties worden gedeeld met alle bij de uitvoering betrokken medewerkers. Het beheer van de RI&E is beschreven in A2.2.1.
Bij het vaststellen van de projectspecifieke risico’s en bij het vormgeven van de arbozorg op projectlocaties wordt aantoonbaar gebruikgemaakt van onderstaand overzicht van veelvoorkomende risico’s in de koeltechniek. Dit overzicht is een aanvulling en ontslaat de onderneming niet van de wettelijke verplichting een bedrijfsbrede RI&E op te stellen.
|
Risico-onderwerp |
|
|---|---|
|
a |
Werkkleding en beschermende kleding |
|
b |
Eerstehulpvoorzieningen |
|
c |
Brandblusmiddelen |
|
d |
Persoonlijke beschermingsmiddelen |
|
e |
Opslag en transport van gascilinders |
|
f |
Werken op hoogte |
|
g |
Betreden van daken, dakrandbeveiliging, beveiliging van vloersparingen |
|
h |
Gebruik van gehoorbescherming |
|
i |
Ventilatie van machineruimtes |
|
j |
Lichamelijke belasting: tillen, lichaamshouding, krachtsuitoefening, voorlichting |
|
k |
Onderhoud van gereedschappen |
|
l |
Hoge en lage temperaturen, UV-belasting, bescherming, voorlichting |
|
m |
Elektrische veiligheid |
|
n |
Onderdelen onder druk |
|
o |
Werken door derden, uitbesteding en inleen |
|
p |
Veilig werken met koudemiddelen |
|
q |
Asbest |
|
r |
Brandbaarheid en giftigheid van nieuw geintroduceerde koudemiddelen |
|
s |
Werken met koolwaterstoffen |
|
t |
Werken met brandbare koudemiddelen |
|
u |
Werken met ammoniak |
De onderneming besteedt aantoonbaar aandacht aan instructie en onderricht aan haar medewerkers over veilig werken op projectlocaties. De relatie tussen deze voorlichting en de uitgevoerde RI&E is aantoonbaar.
De onderneming beschikt over op schrift gestelde, relevante bedrijfsveiligheidsinstructies. Deze worden aan alle operationele medewerkers ter hand gesteld en aan hen toegelicht. Van de uitreiking en toelichting wordt een aantekening bijgehouden met datum en deelnemers. Voor zover bij specifieke projecten relevant, draagt de onderneming zorg voor aanvullende projectspecifieke veiligheidsinstructies, voordat het werk aanvangt.
Stofspecifieke voorlichting. Bij werken met CO2, koolwaterstoffen, ammoniak of brandbare F-gassen als koudemiddel is het geven van specifieke voorlichting over de daaraan verbonden risico’s aantoonbaar. Per stof wordt ten minste behandeld: de eigenschappen en gevaren, de te treffen beheersmaatregelen, de vereiste persoonlijke beschermingsmiddelen, de detectie- en alarmgrenzen, en het handelen bij vrijkomen of alarm. Deelname wordt geregistreerd per medewerker en per stof.
Voor zover niet afgedekt in de RI&E wordt voorafgaand aan iedere risicovolle handeling een taak-risicoanalyse uitgevoerd en vastgelegd, inclusief de uitvoering van de preventieve en correctieve maatregelen die daaruit voortvloeien. De TRA-procedure is beschreven in 5.5; deze geldt onverkort onder het STEK-schema.
Blijkt dat de werkzaamheden risico’s met zich meebrengen, dan worden maatregelen getroffen om de risico’s tot een aanvaardbaar niveau te verlagen, in deze volgorde: bronmaatregelen die de oorzaak wegnemen; collectieve maatregelen zoals afscherming of ventilatie; individuele maatregelen door de wijze waarop het werk is georganiseerd; en tot slot persoonlijke beschermingsmiddelen.
ATEX-installaties. De onderneming zorgt ervoor dat, indien werkzaamheden worden verricht aan een ATEX-installatie, de eigenaar of gebruiker ervan op de hoogte is dat het om een ATEX-installatie gaat. Voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd moet de eigenaar of gebruiker een explosieveiligheidsdocument overleggen. Het controleren op aanwezigheid en het nalezen van dat EVD maakt onderdeel uit van de taak-risicoanalyse. Het opstellen van een EVD is een verantwoordelijkheid van de eigenaar of gebruiker. De keuze en het beheer van explosieveilig gereedschap zijn beschreven in 5.1.1 en 5.1.2.
De operationele leiding voert ten minste eenmaal per jaar een werkplekinspectie uit om zeker te stellen dat de uitvoerende medewerkers de regels ten aanzien van veilig werken respecteren.
De inspectie vindt plaats op een projectlocatie tijdens de uitvoering en beoordeelt ten minste: het gebruik van de voorgeschreven persoonlijke beschermingsmiddelen, de aanwezigheid en het gebruik van de vereiste meet- en veiligheidsmiddelen, de toepassing van de TRA en de daarin opgenomen maatregelen, de orde en netheid op de werkplek, en de scheiding en opslag van afvalstromen en cilinders.
Van de inspectie wordt een verslag gemaakt met de bevindingen en de eventuele maatregelen. De resultaten worden aantoonbaar gedeeld met alle bij de uitvoering betrokken medewerkers en gaan mee naar het werkoverleg en de directiebeoordeling.
Indien noodzakelijk, met name op basis van het resultaat van de RI&E, worden alle bij de uitvoering betrokken medewerkers in de gelegenheid gesteld om periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. De afweging of dit noodzakelijk is, wordt vastgelegd bij de RI&E.
Aan alle bij de uitvoering betrokken medewerkers worden de juiste Persoonlijke Beschermingsmiddelen (PBM’s) ter beschikking gesteld. De onderneming informeert en instrueert haar medewerkers over het correct gebruik en onderhoud. De werkinstructie voor het gebruik van PBM is opgenomen in A4.9. Per stof geldt onderstaande checklist als minimum; aanvullende eisen kunnen volgen uit de TRA, het EVD of de werkvergunning.
|
Stof |
Ten minste |
|---|---|
|
Alle werkzaamheden |
veiligheidsschoenen, oogbescherming, koudebestendige handschoenen bij koudemiddelhandelingen |
|
Koolwaterstoffen en brandbare F-gassen |
antistatische werkkleding en schoenen, explosiegevaarmeter met alarm op 10 % en 20 % LEL, zuurstofmeter, geen ontstekingsbronnen |
De onderneming registreert alle ongevallen en bijna-ongevallen en toont aan dat zij daaruit lering trekt. Elke melding wordt vastgelegd in de incidentenmodule met datum, locatie, betrokkenen, korte omschrijving, letsel of schade, de directe oorzaak en de onderliggende oorzaak.
Vervolgens wordt de procedure uit A2.2.6 doorlopen: beoordeling, oorzaakanalyse, corrigerende maatregel, beoordeling van de noodzaak van een preventieve maatregel, en evaluatie van de effectiviteit. Meldingen en de daaruit getrokken lessen zijn een vast agendaonderdeel van het werkoverleg en van de directiebeoordeling. Beoordeeld wordt tevens of de RI&E naar aanleiding van de melding herziening behoeft.
Ongevallen die op grond van de Arbeidsomstandighedenwet meldingsplichtig zijn, worden onverwijld gemeld bij de Nederlandse Arbeidsinspectie.
De onderneming controleert of de eigenaar of gebruiker heeft onderzocht of er regels van toepassing zijn voor het exploiteren van een koelinstallatie met kooldioxide, koolwaterstoffen of ammoniak, dan wel brengt hem daarvan op de hoogte. Het gaat daarbij in het bijzonder om de veiligheidsvoorschriften uit paragraaf 4.33 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
De eigenaar of gebruiker moet onderzoeken of de installatie voldoet aan de toepasselijke NPR-normen en aan PGS 13. De onderneming legt vast dat en wanneer zij de eigenaar of gebruiker hierop heeft gewezen.
De onderneming informeert de exploitant daarnaast over de verplichtingen die voor hem voortvloeien uit de F-gassenverordening, waaronder de verplichte lekcontrolefrequentie, de hercontrole na reparatie van een lek en de registratie- en bewaarplicht. De wijze waarop dit gebeurt is beschreven in 5.2, 5.4 en 3.2.9.1.
|
wet/regel |
naam wet, regel of norm |
van kracht |
versie |
laatste wijziging |
geldende versie nu |
van toepassing |
actie voor implementatie in bedrijfsvoering |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
Omgevingswet |
Besluit activiteiten leefomgeving, § 4.33 Koelinstallatie met kooldioxide, koolwaterstoffen of ammoniak (art. 4.432-4.437) |
01-01-2024 |
Stb. 2018, 293 |
11-07-2026 |
Bal, geldend 11-07-2026 (Stb. 2026, 186) |
ja, bij natuurlijke koudemiddelen |
Vervangt het Activiteitenbesluit milieubeheer (vervallen 01-01-2024). Meldingsplicht en externe veiligheid verwerkt in procedures. NPR 7600, NPR 7601 en PGS 13 worden hierin aangewezen. |
|
PGS 15 |
Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen |
2005 |
PGS 15:2005 |
april 2026 |
PGS 15:2025 versie 1.1 |
ja |
Gasflessenopslag conform PGS 15:2025 v1.1. Versie 1.1 is inhoudelijk gelijk aan v1.0 (januari 2025). |
|
PGS 13 |
Ammoniak als koudemiddel in koelinstallaties |
2009 |
PGS 13:2009 v1.0 |
april 2026 |
PGS 13:2021 versie 1.1 |
ja, bij deelgebied III (NH3) |
Aangewezen in art. 4.436 Bal. Verwerkt in procedures en werkinstructies voor deelgebied III. |
|
NPR 7600 |
Koolwaterstoffen als koudemiddel in koelsystemen en warmtepompen |
2001 |
NPR 7600:2001 |
20-01-2020 |
NPR 7600:2020 nl |
ja, bij deelgebied I |
Aangewezen in art. 4.435 Bal. Verwerkt in procedures, TRA en werkinstructies. Aanvullende scholing monteur bij brandbare koudemiddelen. |
|
NPR 7601 |
Koolstofdioxide als koudemiddel in koelinstallaties en warmtepompen |
2013 |
NPR 7601:2013 |
20-01-2020 |
NPR 7601:2020 nl |
ja, bij deelgebied II (CO2) |
Aangewezen in art. 4.435 Bal. Verwerkt in procedures en werkinstructies voor deelgebied II. |
|
NEN-EN 378 |
Koelinstallaties en warmtepompen - veiligheids- en milieueisen (delen 1, 2 en 3) |
1996 |
NEN-EN 378:1996 |
01-12-2020 |
deel 1: NEN-EN 378-1:2016+A1:2020; deel 2: NEN-EN 378-2:2016 (geen amendement); deel 3: NEN-EN 378-3:2016+A1:2020 |
ja |
Verwerkt in procedures, werkinstructies en de Climatools applicatie. Deel 4 is vervallen, zie NEN-EN-ISO 5149-4. Herziening van de delen 1, 2, 3 en een nieuw deel 5 zijn in ontwerp (juli 2025) en nog niet geldend. |
|
NEN-EN-ISO 5149-4 |
Koelsystemen en warmtepompen - veiligheids- en milieueisen - deel 4: bedrijf, onderhoud, reparatie en terugwinning |
01-07-2025 |
NEN-EN-ISO 5149-4:2025 en |
01-07-2025 |
NEN-EN-ISO 5149-4:2025 en |
ja |
Vervangt NEN-EN 378-4:2016+A1:2019, die per 01-07-2025 is ingetrokken. Verwijzingen in de werkinstructies voor bedrijf, onderhoud, reparatie en terugwinning zijn omgezet. |
|
PED |
Richtlijn drukapparatuur |
1999 |
97/23/EG |
30-05-2026 |
2014/68/EU, geconsolideerd 30-05-2026 |
ja |
Verwerkt in procedures en werkinstructies, getoetst met PEDSELECT.NL. Gewijzigd door Richtlijn (EU) 2024/2749 (noodprocedures interne markt). |
|
WBDA 2016 |
Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 |
19-07-2016 |
Stb. 2016, 229 |
01-02-2020 |
geldend sinds 01-02-2020 (Stb. 2020, 26) |
ja |
Nationale doorwerking van de PED. Keurings- en herkeuringsplichten verwerkt in de onderhouds- en keuringsprocedures. |
|
EPBD |
Europese richtlijn energieprestatie van gebouwen |
2003 |
2002/91/EG |
28-05-2024 |
(EU) 2024/1275 (EPBD IV) |
ja |
Nederlandse implementatie in vier tranches: tranche 1 in werking 29-05-2026, tranche 2 op 01-01-2027, tranche 3 op 01-07-2027, tranche 4 in 2029. Bewaken. |
|
(EU) 2024/573 |
Europese F-gassenverordening |
2014 |
(EU) nr. 517/2014 |
11-03-2024 |
(EU) 2024/573 |
ja |
Opvolger van 517/2014, die per 11-03-2024 is ingetrokken. Alle documenten en de Climatools applicatie zijn hierop aangepast. |
|
(EU) 2024/2215 |
Uitvoeringsverordening minimumeisen certificering ondernemingen en personen, stationaire koeling, airconditioning en warmtepompen |
29-09-2024 |
(EU) 2015/2067 |
06-09-2024 |
(EU) 2024/2215 |
ja |
Vervangt (EU) 2015/2067. Basis voor de nieuwe certificeringscategorieen A1, A2, B, C, D en E. |
|
(EU) 2026/1444 |
Uitvoeringsverordening tot intrekking van de standaard lekcontrolevoorschriften |
23-07-2026 |
(EG) 1497/2007 en (EG) 1516/2007 |
02-07-2026 |
(EU) 2026/1444 |
ja |
De verordeningen 1497/2007 en 1516/2007 zijn per 23-07-2026 ingetrokken. De lekcontroleprocedure is hierop herzien. |
|
(EU) 2024/590 |
Europese ozonverordening |
2009 |
(EG) nr. 1005/2009 |
11-03-2024 |
(EU) 2024/590 |
ja |
Opvolger van 1005/2009. Relevant bij het aantreffen van HCFK's in bestaande installaties. |
|
Stb. 2015, 356 |
Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen |
01-12-2015 |
Stb. 2015, 356 |
18-08-2025 |
Stb. 2025, 199 |
ja |
Nationale uitvoering van de EU-verordeningen. Let op: artikel 6a (aanleverplicht exploitanten aan centrale databank) is vastgesteld maar nog niet in werking. Bewaken. |
|
Stcrt. 2015, 30873 |
Regeling gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen |
01-12-2015 |
Stcrt. 2015, 30873 |
13-12-2025 |
Stcrt. 2025, 43114 |
ja |
Wijst BRL 100 v3.0 en BRL 200 v2.0 aan. Certificaat natuurlijk persoon maximaal 7 jaar geldig. |
|
BRL 100 |
Beoordelingsrichtlijn voor het certificaat voor ondernemingen in overeenstemming met Verordening (EU) 2024/573 |
aangewezen 13-12-2025, schema van kracht 31-08-2026 |
1.2 (mei 2017), 2.0 (06-06-2019) |
05-12-2025 |
versie 3.0 |
ja |
Dit handboek is afgestemd op versie 3.0. Vanaf 01-09-2026 worden geen v2.0-certificaten meer afgegeven; v2.0 vervalt 31-08-2028, hersteltermijn tot 30-11-2028. De eerstvolgende reguliere audit is de transitie-audit. Deelgebieden I, II en III. |
|
BRL 200 |
Beoordelingsrichtlijn voor het certificaat voor personen in overeenstemming met Verordening (EU) 2024/573 |
aangewezen 13-12-2025 |
1.2 (01-05-2017) |
05-12-2025 |
versie 2.0 |
ja |
Van toepassing bij nieuwe of te vernieuwen persoonscertificaten, verplicht per 29-03-2026. Categorieen A1, A2, B, C, D en E; certificaat maximaal 7 jaar geldig. |
|
STEK Eisen |
STEK-schema voor bedrijfscertificering (voorheen STEK Algemene Eisen) |
01-09-2026 |
Algemene Eisen 14-05-2012, laatst juli 2021 |
19-03-2026 |
STEK Eisen, versie 19 maart 2026 |
ja |
Door de minister gelijkwaardig verklaard aan BRL 100. De oude STEK Algemene Eisen (01-07-2021) vervallen 31-08-2028. Verwerkt in kwaliteitsmanagement, procedures en werkinstructies. |
|
ATEX 153 / Arbobesluit |
Explosieve atmosferen: Richtlijn 1999/92/EG, nationaal Arbobesluit art. 3.5a t/m 3.5f |
30-06-2003 |
1999/92/EG |
01-02-2020 |
Arbobesluit art. 3.5a-3.5f |
ja, bij brandbare koudemiddelen |
Explosieveiligheidsdocument en TRA verplicht bij brandbare koudemiddelen (eis uit BRL 100 v3.0). Verwerkt in de RI&E, procedures en werkinstructies. |
|
(EU) 2023/1230 |
Europese machineverordening |
19-07-2023 |
Richtlijn 2006/42/EG |
29-05-2026 |
(EU) 2023/1230 |
ja, vanaf 20-01-2027 |
Vervangt de Machinerichtlijn 2006/42/EG per 20-01-2027. Raakt het samenbouwen van installaties. Tijdig verwerken in ontwerp- en opleveringsprocedures. |
|
Leidraad Koudemiddelenregistratie |
Leidraad koudemiddelenregistratie en monitoring F-gassen |
2011 |
v06-2011 (NVKL) |
niet vastgesteld |
V9 - niet publiek verifieerbaar |
ja |
Verwerkt in de Climatools koudemiddelenregistratie. Versienummer V9 is niet publiek te verifieren; controleren bij NVKL/STEK. |
|
DATUM CHECK |
NAAM UITVOERENDE |
DATUM IMPLEMENTATIE |
UITWERKING IN DE BEDRIJFSVOERING ALS GEVOLG VAN DE WIJZIGINGEN IN DE WET- EN REGELGEVING |
|---|---|---|---|
|
2026 |
|
|
|
|
2027 |
|
|
|
|
2028 |
|
|
|
|
2029 |
|
|
|